Nieuwsbrief

Nieuwsbrief
  1. Ongeldige invoer
  2. Ongeldige invoer
  3. Ongeldige invoer
  4. Beveiligingscode Ongeldige invoer

 

 

WNVL logo VL 143x80 dpi zondertekst

ODE header nieuw

VOET

dinsdag, 30 mei 2017 14:37

Minstens eenmaal ben ik tijdens een reis aan een ernstige ramp ontsnapt. Nu ja, wellicht vele malen, maar de meeste vermeden rampen zijn amper het vermelden waard of weet je gewoon niet. Maar die keer herinner ik me nog als de dag van gisteren. In het diepe binnenland van Guatemala leunde ik tijdens het tandenpoetsen gewoontegetrouw even op de lavabo van de hotelkamer.

Een tel later lag die lavabo op twee millimeter van mijn voeten op de grond. Was dat twintig millimeter naar voor geweest, dan had ik de rest van de reis in een rolstoel moeten maken, wat gezien het reliëf in Guatemala en de gemiddelde breedte van de bergpaadjes in feite ondoenbaar was.

Na die bijna-ramp heb ik een tijdje overwogen om tijdens het tandenpoetsen veiligheidsschoenen aan te trekken, maar dat staat niet echt. Bovendien was er een meer eenvoudige oplossing: niet meer leunen op een lavabo en in elk hotel bij aankomst de verankering van de wastafels checken.

Het is pas als je iets voor hebt dat een mens er aandacht aan schenkt. Het is een doodnormale zaak dat je je voeten kunt gebruiken om te gaan waar je wil of moet. Dat je – waar nodig – een voet tussen de deur kunt steken of – met wat geluk – een voetje voor hebt, vooraleer het je de voeten uithangt of je ergens je voeten aan veegt.

De Britten vinden voeten zo belangrijk dat ze er nog altijd mee rekenen. Gezien ik – zoals de meeste Europeanen – van jongsaf aan ben ondergedompeld in het metriek stelsel (met dank aan stadgenoot Simon Stevin), blijf ik dat moeilijk vinden: een centimeter is een centimeter, terwijl je bij voeten toch lange en korte exemplaren hebt. In China was er zelfs een tijd dat voeten bewust ingebonden werden, omdat korte voeten een schoonheidsideaal waren. Hoe moet ik me dan inbeelden als iemand 6 voet hoog is? Maar goed, lang moeten we daar in Europa niet meer van wakker liggen, gezien de nakende Brexit. Bovendien: ze blijven nog steeds aan de verkeerde kant van de weg rijden…

Het spel met dat voetenverhaal brengt me bij een andere favoriet, de ecologische voetafdruk. Het principe van Rees en Wackernagel (leuke naam als je het over een voetafdruk hebt) zet ons energie-, voedsel- en materiaalverbruik om in ruimtelijk beslag, uitgedrukt in hectares (toch weer het metriek stelsel dus). Met een aantal gelijkgezinden in het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling hebben we dit concept in de jaren ’90 in Vlaanderen verspreid. In het begin werd dit door beleidsmensen op hoongelach onthaald (wat hebben ze nu weer uitgevonden?), maar stilaan begon men dit toch ernstig te nemen. Akkoord, het concept is niet perfect (wat is dat wel?), maar het geeft de mogelijkheid om dit ruimtelijk in te beelden (beter dan het aantal feet, vind ik) en het meetbaar te maken, en dat is niet alleen pedagogisch belangrijk.

In feite is het aantal hectaren dat beschikbaar is op onze planeet reeds opgebruikt. De limiet is al bereikt, de lavabo is al naar beneden aan het vallen. Omdat ze het onder meer in Haïti en Palestina met zoveel minder doen, ligt die nog net niet op onze tenen.

Er zijn vele dingen die we kunnen doen om onze voetafdruk te verkleinen. De meest dringende is die broeikasgassen verminderen. Met hernieuwbare energie vermijden we jaarlijks miljoenen CO2 uitstoot. Hoe meer en hoe sneller we dus overschakelen naar hernieuwbare energie, hoe beter onze ecologische voetafdruk wordt.

Dat is geen nieuws, dit is vastgelegd in internationale Klimaatakkoorden en doelstellingen, in allerhande regeerakkoorden… En toch worden beslissingen over het Belgisch energiebeleid steeds weer vooruit geschoven. Met dit tempo valt de lavabo recht op onze voeten en wordt het verder rijden in een rolstoel. Of mogen we alsnog op een vermeden ramp hopen?

Bart Bode

OESJABTIS

vrijdag, 28 april 2017 11:05

In een mensenleven riskeert men af en toe merkwaardige exemplaren onder de medemensen te ontmoeten. Dat hangt deels af van eigen keuzes, maar ook deels van het toeval (als dat toevallig zou bestaan). Zo heb ik zelf al eens kennis gemaakt met enkele Jezuïeten, die op mijn pad kwamen aangewaaid. De vraag is: wat ik heb geleerd van de Jezuïeten, of liever: wat heb ik er van onthouden?

In tegenstelling tot wat u spontaan zou denken, is dat niet altijd stichtend geweest. Zo leerde ik van een onder hen dat, als je een slippertje maakt, je ervoor moet zorgen dat je er deugd van hebt. Ik heb deze wijze levensles nog niet in de praktijk gebracht, zodat ik u ook niet kan vertellen of het klopt.

Diezelfde pater vertelde me ook dat je je principes hoog moet houden, zodanig dat je er af en toe onderdoor kan. Ik kan niet ontkennen dat ik dit wel al eens in de praktijk heb toegepast, maar meer wil ik daarover nu ook niet kwijt (het zou ons te ver leiden).

Er is natuurlijk het gekende verhaal van het auto-ongeval tussen een zware wagen van Duitse makelij, bestuurd door een Jezuïet en een lichter wagentje van Italiaanse origine, bestuurd door een Dominicaan. De Jezuïet hielp zijn confrater uit het behoorlijk verhakkelde wrak en bood hem uit zijn ongeschonden bagagekoffer enkele stevige whisky’s aan, om van de schok te bekomen. Op de vraag van de Dominicaan of hij zelf niets dronk, antwoordde de Jezuïet: “niet vooraleer de politie een alcoholtest heeft afgenomen”. Een laatste voorbeeld: waarom beantwoorden Jezuïeten een vraag altijd met een wedervraag? Hun antwoord is: waarom niet?

Ik moest aan dit alles denken, toen ik recent op een website las dat een farao uit de Derde Overgangsperiode (1077 – 943 v C) onlangs is opgegraven in de Vallei der Koningen, nabij Luxor in Egypte. Deze farao werd vergezeld door duizenden beeldjes, oesjabti’s genaamd. Deze beeldjes hebben de opdracht om elke vraag die aan de dode gesteld wordt, te beantwoorden. Oesjabti’s zijn dus (in tegenstelling tot Jezuïeten) antwoorders in plaats van zwaar gediplomeerde vragers.

Naadloos toegepast op het energiedomein, ben ik er heilig van overtuigd dat de tijd is aangebroken om vragen te beantwoorden. 2020 is er bijna en in termen van projectrealisatie betekent dit beslissingen die vandaag moeten worden genomen. Ik wil hier geenszins pretenderen dat er geen vragen meer mogen gesteld worden over ons toekomstig energiebeleid. Ik stel vooral vast dat er nu vooral behoefte is aan antwoorden. Dat nu is zo dringend voor het tegengaan van de klimaatopwarming – die, zo blijkt uit de meest recente rapporten, nog veel sneller gaat dan verwacht – voor onze eigen energievoorziening en voor nog zoveel meer.

We mogen van geluk spreken dat we in ons land ook duizenden oesjabti’s hebben: initiatieven van mensen die antwoorden realiseren op de huidige uitdagingen inzake energie. Er zijn de leden van ODE, bedrijven die elke dag projecten realiseren, ondanks tegenkanting (van mensen die bang zijn van verandering), ondanks alle rompslomp die dit met zich meebrengt. Er zijn steeds meer particulieren die zonnepanelen leggen en zo meehelpen aan het realiseren van de doelstellingen. Intelligente elektrische netten worden meer en meer praktijk; warmtenetten worden verder uitgebouwd en energiebesparende maatregelen worden meer regel dan uitzondering.

Maar dat betekent niet dat we er al zijn. De tijd begint meer en meer te dringen en we moeten nog verder kijken dan vandaag. Op beleidsniveau zien we naast goeie wil ook nog heel wat aarzeling. Het is dus hoog tijd dat ook daar duidelijke antwoorden komen. Of mag ik dat niet vragen?

Bart Bode

SNOTGURG

donderdag, 30 maart 2017 14:40

Wie gewoon is om sprookjes voor te lezen, weet dat daar nogal wat schokkende zaken in gebeuren: moord door vergiftiging (Sneeuwwitje), opgegeten door een wolf (Roodkapje en in een ander verhaal zelfs zeven geitjes), kinderen die opgesloten worden (Hans en Grietje) of drie biggetjes waarvan er maar één weet hoe je duurzaam moet bouwen.

Gelukkig loopt het naar het einde van het verhaal wel meestal goed af. Zoals de meeste kinderen smulde mijn dochter ook van al die lekkere fictie. Maar het mocht nog gruwelijker: in het boek “De Kabouter” van Rien Poortvliet had ze een vreselijk creatuur ontdekt, dat de meest wrede methodieken uitvond om kabouters het leven zuur te maken, zoals ze tegen een slijpsteen houden of ze door een vleesmolen draaien: de snotgurg.

Dat schepsel stond bovendien paginagroot afgebeeld, en dat bestudeerde ze zo lang tot ze huiverend het boek dichtsloeg, even moest bekomen en het daarna niet kon laten om dit ritueel nog eens te herhalen. Ik ben er zeker van dat deze ervaring aan de basis ligt van haar latere keuze om criminologie te gaan studeren.

Gezien ik de taak opgenomen had om – op de avonden dat ik rond dat uur thuis was – de kinderen in bed te stoppen, wou ik na een flinke dosis van steeds weer dezelfde verhalen wel eens een alternatieve versie vertellen. Zo hielp Sneeuwwitje de boze stiefmoeder het hoekje om, legden Hans en Grietje de heks op de barbecue en at grootmoeder samen met de zeven geitjes de wolf helemaal op. De kinderen vonden dat zo hilarisch dat ze op de duur alleen nog de verkeerde versie wilden horen, zodat dit opnieuw tot herhaling leidde. En toen zij en ik dat (jaren later) ook beu werden, konden ze ondertussen zelf lezen. Ik moet dus wachten op de volgende generatie om mijn talenten op dat vlak nog eens te kunnen botvieren.

Ondertussen mag ik in de wondere wereld van de energie ook heel wat verhalen aanhoren, de ene versie al alternatiever dan de andere. In 2012 verscheen een studie over het behalen van 100% hernieuwbare energie in 2050, in de volksmond ook de “Backcasting studie” genoemd. Dit rapport werd opgesteld door VITO, ICEDD en het Federaal Planbureau – niet onmiddellijk instituten die fabeltjes produceren – en gaf aan dat het inderdaad mogelijk is om die 100% hernieuwbare energie te verwezenlijken. Volgens de enen een degelijke roadmap voor een toekomstgericht energiebeleid, volgens anderen een sprookje dat bovendien heel veel geld zou kosten. Dat laatste staat trouwens in het rapport zelf te lezen, naast de opmerking dat het uitstellen van beslissingen nog meer geld zou kosten. Omdat de argumentatie van dit rapport zo stevig bleek als het huis van het derde biggetje, besloten de anderen om de Backcasting studie dan maar diep onder de grond te stoppen.

Sedertdien zijn er heel wat andere studies gepubliceerd, die een aantal elementen uit de Backcasting studie bevestigen en andere elementen nuanceren. Variaties op één thema, waarbij het tijdstip of het percentage of de scope vanuit een andere invalshoek worden behandeld, maar de essentie blijft dezelfde: we moeten in Europa zo snel mogelijk naar zoveel mogelijk hernieuwbare energie.

Ondertussen worden er allerlei processen opgezet om tot een energievisie en een energiepact te komen. Dat zijn bijzonder lovenswaardige initiatieven en hopelijk komt men daar snel tot een stevig resultaat. Daarbij loont het absoluut de moeite om de diverse scenario’s over de transitie naar hernieuwbare energie grondig door te nemen. Ik kan iedereen geruststellen: het zijn geen sprookjes en er zit geen snotgurg tussen. U zult dus geen enkele van die werken huiverend dichtslaan, maar eerder geneigd zijn om hier en daar iets opnieuw te lezen, wetende dat op het einde toch alles goed komt.

Bart Bode

MARKT

dinsdag, 28 februari 2017 09:47

“De aannemer en de architect van het Belfort”, durven olijke Brugse koetsiers al eens antwoorden op de vraag van argeloze toeristen die wijzen op het standbeeld van Jan Breydel en Pieter De Coninck. Pakweg 20 jaar geleden stond ik op diezelfde Brugse markt aan twee helemaal niet argeloze toeristen te vertellen wat de twee afgebeelde heren volgens de meeste geschiedenisboekjes op hun kerfstok hadden. Mijn Kanaakse toehoorster viel me zowaar om de hals en klopte van vreugde het stof uit mijn rug, omdat haar volk op dat moment een ernstig dispuut had met de Franse bewindvoerders in Nieuw-Caledonië en zo blij was dat de Fransen al eens eerder verslagen waren door een onderschatte tegenstander.

De band van mijn tweede toehoorder met de Vlaamse morzels grond kwam pas later die dag ter sprake, toen hij op de Tyne Cot begraafplaats het graf van zijn grootvader zocht, en mij vertelde dat ze in Nieuw-Zeeland nog steeds de geijkte uitdrukking gebruiken “we don’t want another Passchendaele”, wanneer een ruzie dreigt uit de hand te lopen. Het duurde een hele poos voordat we de grafsteen vonden, gezien de Britten zeer kwistig zijn omgegaan met het inzetten van hun koloniale onderdanen als kanonnenvlees bij totaal nutteloze veldslagen.

Merkwaardig toch, dat twee bezoekers uit de Stille Oceaan ons terugbrachten naar twee van de luidste passages uit ons verleden.

We zijn terug op de markt, die mij zo geholpen heeft om een aantal zaken visueel te kunnen voorstellen. De Brugse markt is namelijk precies 1 hectare groot, want 100 m op 100 m en dat hielp me op de lagere school reeds om me dat te kunnen inbeelden. Een landbouwer die 500 hectare land bewerkt, heeft dus 500 Brugse markten om zich op uit te leven.

Hoewel de marktactiviteiten tegenwoordig niet meer op datzelfde plein doorgaan, heeft dat beeld mij ook geholpen om de economische debatten over markten te doorgronden. De meeste theoretische concepten zijn immers afgeleid van het fysieke gebeuren op zo’n marktplein.

In den beginne was die markt echt vrij en kon elke handelaar een kraampje opstellen. Eenmaal de hectare volzet, moest een marktmeester (regulator) aangesteld worden om de afspraken te doen naleven, de disputen te regelen, het standgeld voor de stad te innen en te beslissen over de markttoegang voor nieuwkomers.

Zo verliep en verloopt het – mutatis mutandis – ook op de energiemarkten. Nog niet zo lang geleden waren er maar enkele kraampjes, waaronder een hele grote, die de hele markt innamen. Er was een ingreep van de overheid nodig om plaats te maken voor nieuwe verkopers en Europese regels zorgden ervoor dat de markt verder vrijgemaakt werd en dat er een onderscheid kwam tussen de marktspelers, waarbij de productie, de verkoop en de verdeling (distributie) uit elkaar werden gehaald. Meer nog, de Europese marktmeester besliste dat hernieuwbare energie een voorkeurstoegang zou krijgen op de energiemarkten, gezien hernieuwbare energie als nieuwkomer moest opboksen tegen reeds lang gevestigde waarden, die met een historische bonus aan producten, vaste klanten en afgeschreven kosten weinig ruimte zouden weggeven.

Ondertussen is de energietransitie in volle gang en merken we dat de beeldvorming van het historisch marktmodel minder en minder opgaat. Ook al blijft het gezellig kuieren op een markt, toch zijn er vele andere plaatsen waar producten worden verhandeld, denk maar aan de vele internetshops. Zo is het ook met energie en moeten de marktmodellen aangepast worden aan een meer complexe en flexibele, deels ook virtuele realiteit, met opslag, vraagsturing, intelligente netten, enz…

Wat blijft zijn de absolute basisvoorwaarden, die eveneens bij die allereerste marktspelers leefden: ook bij nieuwe marktmodellen moeten de regels voor iedereen duidelijk (transparant) en eerlijk zijn. Zo niet krijgen we totaal nutteloze veldslagen, en daar wordt niemand beter van.

Bart Bode

BEGIN

maandag, 30 januari 2017 11:49

Weet u nog wanneer uw bewuste leven begonnen is? Ik heb het niet over de reguliere geboorte, gedocumenteerd door cijfers over lengte en gewicht, gevolgd door enkele jaren gekoesterd en geordend geheel van wieg, luiers en speelpark. Ook niet over de kleutertijd, die we met flarden vage herinnering, schattige plaatjes en veelvuldig herhaalde anekdotes met haken en ogen reconstrueren tot een gebrekkig geheel, waarvan we menen te weten dat we dat bewust beleefd hebben.

Nee, ik heb het over het moment dat als een soort ijkpunt kan gezien worden, vanaf wanneer je echt in het leven staat, de dingen niet meer waarneemt als een onbenullige context, als het decorum waarin de lotgevallen van het leven je daar gebracht hebben, maar als zaken die je ten volle beseft, zintuiglijk beleeft en waarin de elementen die op je af komen geen losse gegevens meer zijn, maar bouwstenen die je meer en meer aan elkaar kunt knopen tot een samenhangend geheel.

Het was een stukje Italiaanse muziek die me dit precieze moment onlangs deed herbeleven: in de Villa d’Este in Tivoli bij Rome. Een hemelse plek, met een euforie aan fonteinen, een aria van de Renaissance, een bijna burleske bouw van buxus en bronnetjes, bewasemd door een warme lentelucht, gemarineerd in marjolein, rozemarijn en oregano. We schrijven april 1971 – de leeftijd klopt min of meer (hm, ietsie pietsie aan de vroege kant) met de opvattingen van ontwikkelingspsychologen en met heel wat tradities die dit moment beschouwen als het scharnierpunt waarbij de stap in de volwassen leefwereld wordt gezet.

Ciao, bella gioventù…

Weet u nog wanneer het bewustzijn rond hernieuwbare energie begonnen is? Ik heb het niet over het klassieke voorbeeld van toen het Vlaamse landschap bezaaid was met honderden windmolens (en het moeilijk was om geen slag van de molen te krijgen) en transport en labeur gedaan werd door paarden en ossen – waarvoor minstens een vierde van het beschikbare landbouwareaal voorbehouden werd om de trekdieren te voederen; energiegewassen dus – en fijn stof werd veroorzaakt door vlegels en wannen, bewasemd door een warme zomerlucht, gemarineerd in stro, kaf en mensenzweet. Ook niet over de tijd dat door een aantal bevlogen pioniers er hier en daar eens een zonneboiler werd gelegd, een PV pakket werd geïnstalleerd of een windturbine werd opgericht om aan te tonen dat je met die zaken groene energie kunt opwekken.

Nee, ik heb het over het moment dat als een soort ijkpunt kan gezien worden, vanaf wanneer je echt kan spreken over de ontbolstering van hernieuwbare energie als een alternatief voor opwekking door fossiele brandstoffen, die onder meer door de opkomst van stoommachines (uitgevonden door Heron van Alexandrië? Denis Papin? Thomas Savery? Thomas Newcomen? Of toch James Watt? Allemaal om paarden en windmolens te vervangen) opgang maakten.

Misschien is het bepalen van dat precieze moment voor hernieuwbare energie minder belangrijk (de eerste windmolens werden trouwens circa duizend voor Christus in China gebouwd en werden panemoon genoemd) en geenszins een nostalgische oprisping over teloorgaande jeugd, maar is het des te belangrijker dat hernieuwbare energie als helemaal volwassen wordt erkend; waarbij de elementen geen losse gegevens meer zijn, maar door een combinatie van opslag, vraagsturing en interconnectie in een intelligent netwerk worden gezien als een propere, lokale en volwaardige energievoorziening.

Die stap vraagt ook een degelijke omkadering, een volwassen, breed gedragen beleidsplan dat de contouren voor een lange termijn energievoorziening vastlegt en waarbinnen we vandaag reeds projecten kunnen uitvoeren, bouwend op de aanwezige ervaringen en onze ondernemingskracht.

Benvenuto, bella maturità!

Bart Bode

LICHT

maandag, 19 december 2016 15:51

Elk jaar krijg ik rond deze tijd een kaartje van een zekere Noël Joyeux, iemand die ik niet persoonlijk ken en die zijn schrijven op een nogal schoolse wijze ondertekent, beginnend met zijn achternaam. Kaartjes krijgen is leuk en het bezorgt ook werk aan de postbodes (voor wie ik naamsgewijs een grote sympathie heb), die wel moeten concurreren met die rare kwibussen die in wit en rood zijn gekleed en – voor zover ze niet met een grote truck vol frisdrank mee rijden – in onze contreien ook een probleem hebben met de klimaatopwarming, gezien hun traditioneel voertuig zonder een laag witte neerslag niet kan uitrijden. Tenzij ze er wielen onderzetten, maar dat zou wel een heel belachelijk zicht zijn.

Het idee om het einde van de donkere dagen te vieren is al heel oud en werd in diverse culturen en religies ingekapseld: de Kelten joelden omstreeks 25 december, heel wat later werd in het Midden-Oosten een kind geboren in nogal erbarmelijke omstandigheden (what’s new?) en heden ten dage zijn het dus die afkooksels van Sinterklaas die ons met hun stomme bel attent maken op deze gebeurtenis. U merkt het, ik heb het niet zo voor Kerstmannen.

Het is het moment om te hopen dat de dagen weer langer zullen worden, dat we meer zonlicht krijgen. Die fotonen die bron zijn van zoveel energie, ons natuurlijke vitamine D geven (de D van duurzaam uiteraard) en de somberheid van het jaareinde beetje bij beetje verjagen. Hopen, want je weet nooit – zoals de Galliërs vreesden – dat de hemel op ons dak valt (onder de vorm van één of andere brok uit de ruimte) of dat die duizendjarige storm toevallig nu langskomt.

Laat ons, zoals in deze tijd van het jaar past, optimistisch zijn. De zomerkomkommer van 2015 dat het licht zal uitgaan als we niet gauw iets doen (lees: de oude centrales langer openhouden) moeten we zien als een uitdaging waar we de komende 8 jaar voor staan. De goede voornemens voor het komende jaar bestaan dan uit het engagement dat we de tijd die ons nog rest niet zullen verleuteren, maar er echt aan beginnen. Want dit is echt wel nodig. We staan voor een nooit geziene transitie van een volledig systeem. Dit zal gevolgen hebben voor elk van ons, op onze manier van leven, consumeren, verplaatsen, enz…

Het goede nieuws – en daar is het de gepaste tijd van het jaar voor – is dat die grondige energietransitie onze levenskwaliteit zal verbeteren. We hoeven niet te vrezen (zoals sommige bangmakers vaak beweren) dat we bij voorbeeld zullen inboeten op mogelijkheden of comfort. In een goed geïsoleerde woning is het warmtegevoel (zelfs met een graadje minder) veel aangenamer dan in een tochtig kot (zelfs al helpen de os en de ezel met hun adem de zaak te verwarmen). Uw was is even schoon gewassen als u de machine aanzet op een moment dat de groene stroomproductie piekt dan tijdens de vroegere daluren. Uw LED verlichting brengt u helder (in)zicht voor 1/10de van het vroegere verbruik, en dit alles door het omzetten van de fotonen naar de groene stroom die uw huiskamer vriendelijk binnenvalt.

Hohoho, hoor ik Rudolf hinniken, en wat zal dat allemaal kosten? Een terechte vraag, maar die ook correct moet beantwoord worden. De baten van hernieuwbare energie moeten ten volle verrekend worden. Meer nog, het wordt de hoogste tijd dat de vervuilers betalen. Het invoeren van een CO2 taks kan de energietransitie mee financieren en de factuur voor iedereen verlichten. Laat deze bel maar eens heel luid klinken!

Onze beste wensen en heel veel licht in 2017!

Bart Bode

WARM

dinsdag, 29 november 2016 15:00

Er was welgeteld één ventilator die zowat zelfstandig besliste wanneer die zou draaien en wanneer niet. Er stonden wel airco toestellen, maar die schenen al jaren niet meer te werken. De pistachegroene wanden benadrukten de desolaatheid van het decor waarin een paar honderd mensen zaten te dampen. Het was de eerste confrontatie met de tropische hitte, een tussenlanding op Havana, die – wat iedereen betrof – zo snel mogelijk voorbij mocht zijn. De enige verstrooiing - een aantal dames die sigaren zat te rollen voor de toeristen – was niet van die aard om de hitte te verlichten, gezien de gedachte van bijkomend vuur het zweet nog meer deed stromen.

Dat was dertig jaar geleden (toen Fidel nog leefde) en tijdens de maand juli op een Caraïbisch eiland een doodgewone zaak. Anders is het als we vandaag lezen dat het in november in Spitsbergen bij momenten twintig graden warmer is dan normaal. Dat het gemiddeld zes tot tien graden warmer is en dat de permafrost zijn permanente vrieslaag aan het verliezen is en mensen op de vlucht slaan. Klimaatvluchtelingen uit Noorwegen. Dat het Uru Urumeer in Bolivia geen meer meer is. Dat dit (bijna voorbije) jaar wellicht het warmste ooit is en samen met de voorbije vijftien jaar tot de warmste ooit gemeten behoort.

Zelf functioneer ik optimaal bij vrij hoge temperaturen en heb ik voor de grap eens laten vallen dat ik pas in actie schiet tegen klimaatverandering als we hier dezelfde meteorologische condities hebben als pakweg in St-Rémy de Provence (mooi stadje overigens – dat vond ook Van Gogh – en een vriendelijke optieker die me zomaar een vijsje voor mijn zonnebril bezorgde; maar dit geheel terzijde). Met de berichten van de laatste weken – en zelfs bij een eerste prille winterprik – lijkt die grap wel een andere klank te krijgen. Bij de meest recente evoluties schrikken zelfs wetenschappers van het ongeziene tempo waarmee de klimatologische omstandigheden veranderen. Veel te snel voor een aantal dier- en plantensoorten, gezien ze zich gemiddeld 200.000 keer trager aanpassen aan de opwarming van de aarde, waardoor ze zullen verdwijnen.

Er is lange tijd een discussie geweest of het gebruik van doemscenario’s aangewezen was om mensen meer bewust te maken van onze gedeelde verantwoordelijkheid inzake het klimaat. Vaak werd toen gesteld dat teveel rampen eerder moedeloosheid dan engagement zouden oproepen. Dat het beter was om haalbare stappen voor te stellen, geflankeerd door een stimulerend beleid, zoals premies om daken en muren te isoleren, om voor een elektrische auto te kiezen, om groene energie te produceren.

Dat is een juiste keuze, alleen krijg ik met de berichten van de laatste weken wel steeds meer het gevoel dat bovenstaande discussie niet meer hoeft gevoerd te worden, gezien het zich voor onze ogen aan het voltrekken is. Het voordeel is dat we de middelen hebben om ons tijdig aan te passen. We kunnen het ons permitteren om de dijken te verhogen. Andere landen hebben daartoe niet de financiële mogelijkheden, wat onder meer voor bijkomende migratie zal zorgen. Ook daar moeten we rekening mee houden.

Gelukkig hebben we de laatste weken niet alleen over rampen gelezen. In het Vlaams parlement hebben vijf partijen van meerderheid en oppositie een voorstel van resolutie ingediend betreffende een sterk Vlaams klimaatbeleid, dat op diverse beleidsdomeinen een ambitieuze en structurele aanpak moet uittekenen. Zowel de inhoud als de manier waarop deze resolutie tot stand kwam, vind ik straffe politiek. Daar krijg ik het nu eens echt warm van.

Bart Bode

KIKKER

vrijdag, 28 oktober 2016 11:39

Een vraag als “wat vindt u de mooiste film?” beantwoorden vind ik ontzettend moeilijk. Deze week was ik behoorlijk verrast door het nieuws dat één van mijn favorieten “The English Patiënt” al twintig jaar geleden is gemaakt (tijdens het geboortejaar van ODE dus). Op het filmfestival van Rome werd dat met een aantal acteurs herdacht.

Als ik er maar één film mag uitpikken, dan ga ik toch voor “Novecento”, een prent van Bernardo Bertolucci over het begin van de 20ste eeuw, met de opkomende (en weer verdwijnende) ideologieën, de mechanisatie van de landbouw (waar hernieuwbare energie van paarden en ossen moet wijken voor de stoommachine) en nog zoveel meer. Het is een magistraal filmepos, zeer rijk aan inhoud en met een cast om u tegen te zeggen: Burt Lancaster, Robert De Niro, Gerard Depardieu, om er maar enkele te noemen.

Het scenario behandelt het levensverhaal van Alfredo (zoon van de rijke herenboer) en Aldo (geboren bij de stalknechten en wellicht ook wel uit dezelfde broek geschud), waarbij er, ondanks het klassenverschil en met wisselende conflicten, een levenslange vriendschap ontstaat.

Een iconische scène is die waar Aldo kikkers gaat vangen – om het eentonige dieet van polenta aan te vullen – en deze levend en krioelend aan een ring rond zijn hoed hangt, onder meer om Alfredo’s zusje de schrik van haar leven te bezorgen. Ik kan me voorstellen dat deze scène vandaag de verdedigers van het dierenwelzijn een pak munitie zou opleveren om de discussies aan te wakkeren.

Zelf heb ik het nooit zo bruin gebakken (alhoewel ik al eens kikkerbilletjes at). Toen ik de leeftijd van Aldo had, werden we door de schoolmeester aangemoedigd om kikkerdril te verzamelen - dat vond je toen nog in beken en grachten – en de evolutie mee te volgen in een aquarium in de klas: van dril tot kikkervisje (in onze contreien dikkoppen genoemd) tot kikker. Enkele jaren later vroeg een medeleerling (nee, het kwam echt niet van mij) aan de wiskundeleraar of hij graag een kikker wou zijn. Bij een nee was het antwoord: “blijf dan maar een dikkop”, maar tot onze verbijstering antwoordde de leraar: ja, jongen. En daarmee was de kous af.

Het fenomenale bij kikkers is dat ze enorme sprongen kunnen maken. Om insecten te vangen, zeg maar: om hun doel te bereiken. Nu we 2020 met rasse schreden zien naderen, ben ik overtuigd dat we fenomenale kikkersprongen zullen nodig hebben om onze doelstellingen inzake hernieuwbare energie te halen. De allereerste blog die ik voor deze rubriek schreef, droeg de titel “Nog amper negen jaar”. Daarvan zijn al ruim 2/3 van verstreken. En ja, er is al heel wat gebeurd. In sommige sectoren zijn er al kikkersprongen gebeurd – denk maar aan de zonnepanelen en het groeiend aantal windturbines.

We hebben dringend nood aan een scenario dat een pak kikkersprongen voorziet. De 2020 doelstellingen zijn immers maar een tussenstap; tegen 2025 moeten we in België een grote hoeveelheid bestaande capaciteit vervangen. Technisch is dit uitvoerbaar, zo blijkt uit alle studies. Maar gezien de doorlooptijd van hernieuwbare energieprojecten al snel drie, vier jaar of meer bedraagt, betekent dit dat we een magistraal epos gaan moeten schrijven om dit te realiseren. Naast goede scenaristen zullen we een topcast nodig hebben om dit uit te voeren. Onze bedrijven staan hier klaar voor. Zaak is dat de entourage hier ook voor de volle honderd procent moet aan meewerken: lokale en bovenlokale beleidsmakers, administraties en alle andere betrokkenen.

Schrijven is schrappen, dus moet alle onnodige rompslomp er uit. En laat ons hierbij ook alle ideologieën overschrijden, want dit gaat over het algemeen (levens)belang.

Alleen op die manier kunnen we ervoor zorgen dat we geen dikkop blijven, maar een kikker die heel ver kan springen.

Bart Bode

TWINTIG

vrijdag, 30 september 2016 09:36

Het is wellicht één van de meest voorkomende zinnen in een politieserie: “Waar was u op het moment van de feiten?” Op TV wordt het antwoord dan bewust vaag gehouden; een scenaristentruc opdat u zou denken: aha, dit alibi is niet geheel sluitend, deze persoon kan dus nog niet geschrapt worden van de lijst van verdachten.

Nochtans is dit een vraag die met een doorsnee korte termijn geheugen zeer accuraat kan beantwoord worden. Zo hebben we gisteravond bij thuiskomst na de arbeid een veggie maaltijd gegeten naar het recept van Pascale Meus (of was het Jeroen Naessens?), hebben we daarna naar een duidingsprogramma gekeken en bij het lurken van een kamillethee nog even nagepraat over het breed maatschappelijk impact van de behandelde onderwerpen in het programma, alvorens rond 23 uur te gaan slapen (NVDR: ik gebruik hier ook een scenaristentruc; in werkelijkheid is mijn leven veel opwindender).

Heel anders is het natuurlijk als die vraag niet over gisteren gaat, maar over pakweg twintig jaar geleden. Als de stoflaag op het geheugen te dik is, kan ik nog altijd op zoek naar de agenda van dat jaar. Ik bewaar die namelijk voor het nageslacht – of liever bewaarde, want sinds drie jaar gebruik ik nog enkel een elektronische agenda. Ik zal mij dat later ongetwijfeld beklagen.

Wanneer ik zelf de oefening maakte – zonder de agenda, want die ligt ergens op zolder en ik kon die niet rap genoeg vinden (vanwege dat opwindend leven) – dan kon ik toch vrij snel een aantal ijkpunten van het jaar 1996 weer opvissen. Zo woonde ik de VN Habitat II Conferentie bij in Istanbul. Minstens twee merkwaardige zaken heb ik daarbij onthouden. Het eerste feit was dat de toenmalige minister die de speech voor België moest houden, dit niet gedaan heeft omwille van de schrik om voor een grote massa te spreken (dit is echt waar!) en dan maar naar huis is gegaan. Het zal je maar overkomen als politicus. Uiteindelijk heeft een staatssecretaris de speech in zijn plaats uitgesproken.

Het tweede feit is dat we met een aantal mensen van de Belgische delegatie en onder leiding van een eminente professor de Bosporus zijn overgestoken (mijn eerste stappen op het Aziatische continent) om de zgn. invasiewijken te bezoeken: een visuele ervaring van hele groepen mensen (pioniers) die aan de rand van de stad een nieuw leven opbouwen, zonder dat er enige infrastructuur aanwezig is. Vermoedelijk zijn dit nu doodgewone buitenwijken van de stad, maar twintig jaar geleden was er – behalve stof en snelbouwstenen – gewoonweg niets.

Twintig jaar geleden werd ook de vzw ODE Vlaanderen opgericht. Ook toen was er nog zeer weinig infrastructuur. Er was vooral het geloof van een aantal pioniers die overtuigd waren dat je met hernieuwbare energie veel meer kon doen dan wat experimenteel gerommel in de marge. Belangrijk was dat die overtuiging ook uitgedragen werd, voor vele kleine groepen en ook voor grote massa’s. Dat werd een belangrijke opdracht voor het jonge ODE. Met de komst van het Vlaams Energieagentschap werd de informatietaak door hen overgenomen en kon ODE verder evolueren naar een volwaardige sectororganisatie (NVDR: opnieuw een scenaristentruc: twintig jaar geschiedenis in één paragraaf samenvatten. Het moet vooruitgaan).

Ondertussen is hernieuwbare geen “alternatieve” energie meer, maar is de uitdaging om het verder te laten groeien tot het hoofdbestanddeel van onze energieproductie- en levering. In die zin zijn de 2020 doelstellingen maar een opstapje voor de komende 20 jaar en verder. Op 20 oktober trekken we daarover een wissel op de toekomst. En komt de minister de grote massa toespreken.

Schrijf het maar snel in uw agenda (mocht dat nog niet gebeurd zijn), zodat ik u niet moet komen vragen: “Waar was u op het moment van de feiten?”

Bart Bode

STILTE

dinsdag, 26 juli 2016 15:48

Het was werkelijk oorverdovend. Ik had me (in gedachten) voorbereid op een loden hitte, op slangen en spinnen en allerlei insecten op groot formaat, op merkwaardige maaltijden en op een bij wijlen ongemakkelijke spijsvertering, maar niet op deze zware aanslag op mijn gehoor. Niemand had mij verteld dat er in een subtropisch woud een zo’n pertinente afwezigheid van stilte zou zijn. Spontaan denkt men wel aan wat ara- en apengekrijs, maar van cicaden had ik nog niet echt gehoord. Wel, gehoord heb ik ze toen wel! Decaden later kwam het geluid van de cicaden mij weer in het oor, maar dan in de veel zachtere versie van de Provence, alwaar sommige argeloze toeristen in de souvenirshops niet aan de verleiding kunnen weerstaan om een kalken exemplaar aan te schaffen dat het geluid voor enige tijd nabootst. De cicaden van Haïti hadden in vergelijking met hun kleine Europese broertjes (de zusjes maken naar verluidt geen lawaai) draadloze versterkers en kwalitatieve subwoofers die op menig popfestival best wel een behoorlijke indruk zouden maken.

Ik was er verzeild om met een vijftal kompanen een aantal adobe huisjes te bouwen, na een wat hachelijke reis: op de eerste zaterdag van juli met de auto naar onze nationale luchthaven rijden was echt geen goed idee. Autoweg vol, ring potdicht, vlucht naar London weg. Onvoorziene overnachtingen in de hoofdstad van de Brexit en de dag erop in Miami en nog een dag later valies zoek in Port-au-Prince. Goed begonnen! Toen alles uiteindelijk in zijn plooi viel (onderweg had de chauffeur nog twee keer onder de Landrover gelegen om de schade van de onmogelijke wegen te herstellen) was het laatste wat ik nog verwachtte wel een regelrechte aanslag op mijn gehoor. Enkele dagen later volgde nog een verrassing: mijn eerste ontmoeting met een avocado was bijzonder pijnlijk, toen er een overrijp exemplaar tijdens een zeldzame rustpauze op mijn hoofd uiteenspatte. Sinds dat ogenblik ben ik echt weg van avocado’s!

Er was nog een merkwaardige vaststelling tijdens de bouw van de huisjes. De muren werden opgetrokken met ter plaatse geperste stenen, met de hulp van een Kempense handpers. Met trots werd aangekondigd dat het dak uit golfplaten zou bestaan, ondersteund door een houten gebinte. Kostprijs: 250 € per huis, gefinancierd door milde schenkers uit het verre Vlaanderen. De arbeidsuren werden gratis geleverd door de lokale bevolking, ondersteund door ons zestal – waaronder een burgerlijk ingenieur bouwkunde die met het blote oog de stabiliteit kon berekenen. Golfplaten werden als een luxe beschouwd op een eiland waar alles moest ingevoerd waren, maar – we waren nog eeuwen weg van een EPC berekening – dat was in feite een bijzonder slecht idee. Goed om tegen tropische hoosbuien beschermd te worden, maar afgrijselijk heet onder een zon die wel altijd in het zenit leek te staan. Geef mij maar de schaduw van een onvriendelijke avocadoboom.

Zoals gezegd werden deze werkzaamheden dagelijks begeleid door een megakoor van cicaden, die het Creools nog meer onverstaanbaar maakten. Er zijn hier mensen die beweren dat het gezoem van de omvormer van hun zonnepanelen storend werkt. Er zijn hier mensen die beweren dat windturbines veel lawaai maken. Geluidwaarnemingen – zelfs van stilte – zijn zeer relatief en persoonsgebonden en elke vergelijking loopt bij voorbaat mank. Maar wie ooit in een subtropisch bos het krekelorkest heeft gehoord, wordt toch wel voorzichtiger met de term lawaai.

Zelf hoop ik in de komende weken wat stilte te vinden, bij voorkeur zonovergoten. Wat behang van zangvogels, bezige bijen, omvormers, windturbines of lokale cicaden is wat mij betreft onverstoord meegenomen. Als er maar genoten wordt, zodat we daarna opgeladen weer 100 % voor hernieuwbare energie kunnen gaan!

Bart Bode

Pagina 1 van 7