• Limetorrents
  • Nieuwsbrief

    Nieuwsbrief
    1. Ongeldige invoer
    2. Ongeldige invoer
    3. Ongeldige invoer
    4. Beveiligingscode Ongeldige invoer

     

     

    WNVL logo VL 143x80 dpi zondertekst

    ODE header nieuw

    TUIN

    vrijdag, 27 april 2018 09:17

    Je kon er een tent bouwen en schommelen en in de zon liggen of het gras afrijden. Er hebben kippen gelopen en een konijn dat kale plekken in het gazon achterliet en hier en daar het begin van een pijpje maakte. Mijn eerste tuinherinneringen situeren zich uiteraard in de modeste tuin van het ouderlijke huis. Toen ik iets ouder werd en ik op vakantie mocht op de boerderij, werd de tuin groter en omvatte de omringende akkers en weilanden, waar ik ongestoord mocht rondstruinen in gezelschap van een herdershond. Soms kom ik daar nog eens langs gefietst. Wat toen ver en uitgestrekt leek, blijkt nu heel wat kleiner te zijn. De weilanden van toen zijn grotendeels gebleven, maar het vergezicht wordt nu versierd met mooie windturbines en de boerderij waar ik verbleef, is omgebouwd tot een indrukwekkende villa.

    Nog wat ouder, tijdens de zomers in Bourgondië, werd mijn tuingevoel nog verder uitgeweid en wisselden hectaren akkers af met blozende bossen en golvende heuvels.

    Het klinkt allemaal idyllisch en zeker als de zon schijnt is dat nog steeds zo. Tuinen zijn voor de mensen van oudsher een weerspiegeling van een ideale wereld, het scheppen van een oase, waar vleugjes stilte en rust kunnen geproefd worden. In de drukte van de stad vormen parken een welkome pauze. Zelfs balkonnetjes van enkele vierkante meter worden vaak herschapen tot een groen plantsoen. En tegenwoordig kan je zelfs een stadsmoestuin in enkele bakken, al of niet verticaal of horizontaal, opzetten.

    Het verlangen naar een tuin blijkt een oeroud verhaal te zijn. Een van de bekendste overleveringen gaat over een man en een vrouw die van iemand een appel kregen en die deelden (en toch waren het geen Nederlanders). Er zat blijkbaar iets raars in die vrucht, want nadat ze ervan gegeten hadden, bleken ze plots geen kleren mee aan te hebben en moesten ze in het groen op zoek naar wat bedekking. Maar het ergste was dat ze de tuin waarin ze verbleven, onmiddellijk moesten verlaten (een formule die nu ook door sommige TV programma’s wordt overgenomen). Waarheen, dat werd niet meer zo duidelijk omschreven en wie daarna verder voor de tuin zorgde, blijft ook vaag. Maar volgens dit verhaal zou dit de oorsprong zijn van het verlangen van zowat iedere mens naar een stukje tuin dat als eigen paradijs kan worden aangelegd.

    Er zijn over tuinen wellicht evenveel visies als er gaarden zelf zijn. Voor de ene moet het allemaal gazon zijn, liefst zo biljartvlak mogelijk, voor de andere kan het niet wild genoeg zijn. Er zijn immense kasteeltuinen – in Engelse, Moorse of Franse stijl – en magische minituintjes (b.v. naar Japanse traditie) waar zelfs de bomen petieterig zijn. Er zijn mensen die vinden dat elke morzel grond vrucht moet voortbrengen en voortdurend aan de slag zijn met tomaten, sla en prei. Tegenwoordig zijn ook vergeten groenten weer in, maar ik kan me even niet herinneren hoe die allemaal heten.

    Hoe dan ook, er zijn, naast grond en water, nog minstens twee elementen die onmisbaar zijn voor welke tuin dan ook: zon en wind. Zonder zon groeit er niets (ook voor kunstlicht heb je energie nodig) en zonder wind kunnen de bloemetjes en de bijtjes (hoe bijdehand ook) niets verstuiven. Een gezonde tuin gedijt ook het best onder zuivere lucht en in een stabiel klimaat.

    Als we dus van onze grootste tuin – onze planeet – opnieuw een aards paradijs willen maken, zullen we dit moeten doen met hernieuwbare energie. Doen we dat niet, dan wordt elke tuin – groot of klein – ooit een woestenij. Doen we dat wel, dan kan iemand dat koppel met die appel een stel kleren geven en laten weten dat ze mogen terugkomen, want alles komt weer goed.

    Ik vermoed dat dit wel nog enige tijd zal duren en er ondertussen nog wat onkruid zal moeten gewied worden, maar het loont de moeite en de volgende generaties zullen ons eeuwig dankbaar zijn.

    Bart Bode

    LENTE

    donderdag, 29 maart 2018 12:19

    Jammer dat het in het Frans, net zoals het Italiaanse La Primavera (ook de bijnaam van een gezapig fietstochtje tussen Milaan en San Remo), niet vrouwelijk is. Anders kon ik bij wijze van jeu de mot zeggen dat de lente dit jaar “assez lente” is.

    Zeker in die koude dagen, die dit jaar weer erg laat waren, groeide het verlangen naar het nieuwe seizoen. Dan wens je in het midden van de kilte dat je jezelf kan transponeren naar een tropisch eiland. Volop zonne-energie en warmte, het fruit dat van de bomen zomaar in je mond valt, zorgeloze dagen, zwoele nachten…

    Maar mocht ik ooit in de tropen wonen of op een plaats waar het altijd zomer is, dan zou ik de lente missen. Het is de tijd van belofte, van verlangen, van groei. De omgeving krijgt weer kleur, de eerste bloemen breken door (en kregen het dit jaar hard te verduren van de vorst) en aan de bomen komen de eerste knoppen piepen. Gelukkig zijn ze door de late winter niet teveel naar de knoppen. Ook de dagen verlengen - en in mijn lokale taal verlangen ze ook. Zelfs de mensen verliezen het grisaille dat de winter over hen drapeerde. Misschien is de lente wel mooier dan de zomer, omdat het verlangen naar iets nog sterker kan zijn dan de vervulling; de weg erheen mogelijks boeiender dan het einddoel.

    De lente staat ook voor de dynamiek van het leven. Mensen in de lente van hun leven staan niet stil bij het heden, want ze kijken volop naar de zomer. Lentemensen kijken vooruit, creëren toekomst, vertellen nieuwe verhalen en zijn doorgaans optimistisch. Optimisme is ook de enige optie om in het leven te staan, anders lig je alleen maar dood te gaan. Lentemensen gaan ook heel soepel om met verandering, omdat verandering hun drive is. In tegenstelling tot mensen van wie hun lente al een tijdje voorbij is (zowat de meest softe omschrijving van mensen wiens leeftijd ik benader en stilaan een plus krijgen bij alles), zijn lentemensen uit op verandering.

    Het valt me bij voorbeeld op dat lentemensen windturbines in een landschap doodnormaal vinden, terwijl sommige mensen van wie de enz…. voorbij is, dit als verstorend ervaren. Dat wil zeggen dat een aantal van die mensen van wie … is, de energieproductie voor de toekomstige generaties (maar ook al een heel pak voor het heden) hinderlijk vinden, terwijl die toekomstige generatie (voor zover die al in het heden is) die installaties allesbehalve storend vinden, integendeel.

    Dit is geen verwijt aan de mensen van wie hun … voorbij is (zoals gezegd kom ik daar ook in de buurt, al hoop ik nog op een eindeloze Indian Summer), want dit is een natuurlijke reflex. Hoe verder men van die lente weg groeit, hoe behoudsgezinder (bewarend, conservatief – zoals een blik erwtjes) men wordt. Het is toch goed zoals het is, en zoals het is, ben ik ermee vertrouwd, ken ik het systeem. Dus waarom veranderen?

    Een aantal jaren terug werd door de toenmalige beleidsmakers de “Lente van het Leefmilieu” georganiseerd, een brede conferentie over klimaat en energie, waarbij vele stakeholders betrokken werden. Diegene het meemaakten, halen dit af en toe nog eens boven. Dus moet dit wel betekenisvol geweest zijn. De energietransitie was al begonnen, maar die Lente van het Leefmilieu heeft daar mee een opstoot aan gegeven, zoals een warme lentedag de knoppen kan doen openbarsten.

    Ondertussen zitten we volop in die verandering; de oude vertrouwde zaken maken plaats voor nieuwe, ja meer complexe systemen. Lentemensen vinden dit geen bedreiging, maar net een prikkelende uitdaging. Net zoals ze zonnepanelen en windturbines in hun habitat doodnormaal vinden.

    Lente is een synoniem voor transitie. En als puntje bij paaltje komt, gaan we door die transitie van het fossiele naar het hernieuwbare energiesysteem meer kunnen bewaren dan wanneer we bij het oude blijven. Snap je?

    Bart Bode

    OCTOPUS

    maandag, 26 februari 2018 16:10

    Het gebeurde wel eens dat ik mocht gaan babysitten bij de buren. Ik zeg wel degelijk “mocht” en het was natuurlijk voor de kinderen van de buren, maar dat was iets om naar uit te kijken. Hun TV was groter dan de onze, ik kreeg chips en frisdrank aangeboden en de kinderen waren helemaal niet lastig, integendeel. Ik was maar een 5 à 6 jaar ouder dan zij en ik kan me geen vervelende situatie herinneren.

    Het was leuk om dergelijke buren te hebben. Er was een natuurlijke verbinding, die er al was voor zij hun huis bouwden en die vroeger diende om over ‘hun’ stuk grond de korte weg richting voetbalstadion te nemen. De opening in de omheining is nadien gebleven, als een stilzwijgende entente, maar vooral een zeer praktische oplossing wanneer we in elkaars tuin gingen spelen, wat meestal betekende dat zij bij ons kwamen omdat wij een schommel hadden. Ik mocht dan op mijn beurt vaak mee naar zee, waar zij een strandcabine hadden - en wij dus niet. Een stukje ideale wereld dus.

    Het was meestal op zaterdagavond – in die tijd gingen de mensen enkel in het weekend ergens heen – en nog een voordeel was dat ik zelf het programma kon kiezen. De kabel TV of distributie was toen net ingeburgerd, maar vooral ingegraven, zodat we al wat keuze hadden. (Ik krijg zo stilaan het gevoel dat de iets jongere lezers van deze rubriek zich zitten af te vragen of ik ergens in de Middeleeuwen geboren ben - kabel TV begot!). Enfin, mijn keuze viel nogal vaak op actiefilms – niet zo verwonderlijk gezien de leeftijd die ik toen had – à la James Bond, zoals Goldfinger of Octopussy (dat zou je in Hollywood vandaag ook niet meer als titel moeten kiezen).

    Dit alles kwam bij me op toen ik – nu niet meer via de kabel maar dankzij een router – de afleveringen van ‘Blue Planet II – the making of’ aan het streamen was (oef, ik bevind mij niet meer in de Middeleeuwen) en ik de beelden van de slimme octopus zag. De serie zelf is natuurlijk schitterend en geeft ons, naast prachtige beelden over de immense rijkdom van de oceanen, ook een ferme wake-up call over de gevolgen van de klimaatverandering. Je ziet de ijsbergen letterlijk wegsmelten, het grote koraalrif verdorren, zeedieren in plastiek verstikken. Dan denk je, OMG, waar zijn we mee bezig? Valt dit nog ooit te repareren?

    En dan ben ik nog meer overtuigd dat we met hernieuwbare energie goed bezig zijn om daar iets aan te doen. Dat komt er niet vanzelf, dat vraagt enorme inspanningen. Het zou meer dan de moeite lonen om van vele projecten eens een uitgebreide ’making of’ te maken. Voor wie zelf niet in de praktijk staat, is b.v. de aanblik van een windturbine een waarneming van een mast met een gondel en wieken, die door een bedrijf werd geplaatst en uitgebaat wordt en waarmee elektriciteit geleverd wordt. Zelf vind ik dat een prachtig beeld, maar ik weet dat daar diverse meningen over zijn.

    Maar net als bij een docu zoals Blue Planet, is wat je niet ziet ook bijzonder interessant: de hele ontwikkeling, het immense werk van uren, dagen, maanden, jaren om zo’n project gerealiseerd te krijgen; de bouw, de opvolging, het onderhoud. De frustratie als al dit werk voor niets is, wanneer er geen vergunning behaald wordt. De vreugde als dit wel lukt. Het zijn ongeziene inspanningen van mensen die, net zoals de cameraman, zelf nooit in beeld komen.

    Er is geen resultaat als er geen ’making of’ is. Doelstellingen worden niet gehaald zonder al dat ongeziene werk. Daarom, bij deze, een achtarmige hommage aan al die mensen die quasi nooit ’in the picture’ komen, maar er wel voor zorgen dat er zonneparken, windturbines, warmtenetten, enz… gerealiseerd worden, de projecten nauwkeurig opvolgen en die ongeziene, maar o zo belangrijke bijdrage leveren om hernieuwbare energie van theorie in praktijk om te zetten.

    Bart Bode

    SPROOKJE

    dinsdag, 30 januari 2018 10:46

    Op een zonnige wintermorgen, op de eerste dag van het nieuwe jaar… Het zou een perfecte openingszin kunnen zijn voor een mooi sprookje. Nu ja, mooi, ik heb u al eens eerder verteld dat sprookjes inhoudelijk niet altijd fraai zijn. Naar verluidt waren de oorspronkelijke verhalen van Andersen (nee, niet die van de brillenzaak) en de gebroeders Grimm effectief nogal grimmig (zou dat woord nu daar vandaan komen?). Men zegt dat het echte horrorverhalen waren, die later bewerkt werden voor kinderen, waarbij men zich genoodzaakt zag om er een happy end aan te breien, zodat er niet teveel nachtmerries veroorzaakt werden.

    Zelfs de meer recente bedenkers van kinderverhalen kunnen het niet laten om de nodige gruwel in het script te brengen. Disney laat het reetje Bambi helemaal weeskind worden, in de Leeuwenkoning verongelukt vader door het ingrijpen van een boze oom en in één of andere hondenfilm moet er per sé een Cruella opduiken. Wat bezielt die vertellers toch om kinderen te confronteren met al die wrede zaken? Is dit een amechtige poging om hen levenslessen mee te geven? Om hen diets te maken dat het leven vol gevaren zit en dat je blij mag zijn als je het überhaupt in de jungle van het dagelijks bestaan kunt overleven?

    Maar daar hebben we toch geen sprookjes voor nodig? Kijk de media er maar op na: het is elke dag een opluchting als je kind veilig op school aankomt. Als je geen torenkraan op je flat krijgt, er zich geen gasontploffing bij de onderburen voordoet en er geen boom op je auto waait, dan slaak je toch elk moment een zucht van verlichting?

    Oh, moet het met dieren misschien? Een hond die een hap uit een kind neemt, een kat die je de ogen uitkrabt of een meeuw die een gat in je hoofd pikt? Je vindt het allemaal in het dagblad naar keuze!

    Naya de wolvin is in het land en ze heeft reeds enkele schapen opgepeuzeld. Gevolg: groot dilemma voor Gaia: wiens kant nu te kiezen? Gelukkig komt er dan net iemand vertellen dat we echt niet bang moeten zijn en dat de wolf niet boos is en dat het in feite de schuld is van Roodkapje dat we angstig naar de tracker kijken om te weten waar Naya zich nu bevindt.

    Fijn, ik wil dit gerust aannemen, maar waarom hebben we dan al die sprookjes verteld? En waarom spreken we dan nog steeds van een sprookjeskasteel of een sprookjeshuwelijk? Een mens begint zich gelukkig te prijzen dat je dit niet hoeft mee te maken.

    Het is een jaar of zeven geleden, in de tijd dat deze blogreeks het leven zag, dat we aangekeken werden alsof we het onderscheid niet meer konden maken tussen de realiteit en een sprookje. We vertelden toen namelijk dat honderd procent hernieuwbare energie mogelijk was, zo ongeveer tegen 2050. We hadden dat niet zelf uitgevonden, maar pure plagiaat gepleegd en ons gebaseerd op wetenschappelijke studies. Op dat moment bleek dat een gevaarlijke keuze te zijn, want we liepen het risico te belanden bij de categorie charlatans die enkel in Fantasialand voorkomen.

    En hier keer ik terug naar het begin: op een zonnige wintermorgen, op de eerste dag van het nieuwe jaar… (en nu loopt het verhaal verder) … werd het elektriciteitsverbruik in een groot, zwaar geïndustrialiseerd land – een economische reus zeg maar – voor honderd procent bevoorraad door hernieuwbare energie (NVDR: in Duitsland op 1 januari 2018). Ik hoor onmiddellijk de honende opmerking dat het een feestdag was en dat er dus een minimaal verbruik was, en nog wat van die argumenten, waarmee ik honderd procent akkoord ga (denkt u misschien dat ik in sprookjes geloof?). En dan hebben we het hier nog maar enkel over elektriciteit…

    Alleen was het de bedoeling om het hele verhaal pas over pakweg dertig jaar te vertellen en niet als een sprookje van één dag, maar als een onweerlegbaar feit. Wat het zal worden, als men tenminste het lef heeft om de juiste beslissingen te nemen.

    Bart Bode

    BROL

    vrijdag, 22 december 2017 11:03

    Naar het einde van het jaar toe worden telkens weer allerlei lijsten opgesteld. Ik heb het niet over deurlijsten of broeklijsten, maar over lijsten zoals jaaroverzichten, de beste sporter, voetballer, wielrenster, de mooiste 100 of 1000 liedjes, Vlaams of Belgisch of tout court alle muziek. Wie daar volgens mij steevast in ontbreekt, is Willem Vermandere met zijn ballade: “de wereld zit vol met onnozele brol”.

    Akkoord, muzikaal is Mozart een groter genie. En toegegeven, tekstueel is Tennyson veel virtuozer. Denk maar aan zijn wondermooie versie van het verhaal van The Lady of Shalott, dat niet over een soort ajuinen gaat, maar over een dame die de wereld en haar geliefde alleen via een spiegel mag bekijken. Dit literaire meesterwerk wordt ook vandaag nog door Loreena McKennitt bezongen. Het situeert zich in de sfeer van de Koning Arthur legendes; de geliefde van de dame is natuurlijk Lancelot en het drama speelt zich af nabij het kasteel Camelot. En toevallig is kamelot in de taal van Vermandere een synoniem van brol. De cirkel is rond.

    Het is de boodschap van Vermandere die ik essentieel vind: we zitten gewoon met veel te veel brol op onze aardbol. In onze havens worden dagelijks duizenden containers gelost, afkomstig uit vele uithoeken van deze wereld. Deze containers worden vervolgens over de weg naar hun bestemming vervoerd, waarbij de inhoud – nadat die b.v. in een sorteercentrum werd uitgeladen en geselecteerd op nog een tussenbestemming of het eindadres – in een aangepast vervoermiddel nog eens wordt getransporteerd en – na uren in de file gestaan te hebben – eindelijk wordt afgeleverd, om daarna gretig door de bestemmeling uit een enorme hoeveelheid verpakking te worden gehaald. En als het de verkeerde bestelling is, moet laatstgenoemde opnieuw naar de website “brol.com” en kan de hele reutemeteut opnieuw beginnen, desnoods tot in China, waar het bruto nationaal product verder floreert met elke bijkomende bestelling. En ja (ootmoedige bekentenis), ik doe daar ook al eens aan mee. Soms wil een mens al eens tot een massa behoren…

    De gevolgen zijn niet gering: onze wegen staan vol, onder meer met bestelwagens vol onnozele brol; onze oceanen zitten vol plastic, grotendeels afkomstig van die onnozele brol; grondstoffen raken uitgeput door het maken van…

    Maar daar hebben we het volgende op gevonden: we zorgen dat we zoveel mogelijk recycleren en opnieuw gebruiken, zodat we de aarde niet verder uitputten en we kunnen spreken van een circulaire economie.

    Akkoord, dit is een meer dan eerbaar doel en we moeten absoluut voor een maximale recyclage gaan, maar dat alles vraagt de nodige energie. En als we de cirkel echt willen sluiten, dan kan dat enkel met hernieuwbare energie. En ook al is het hernieuwbare energie, dat betekent niet dat we daar minder efficiënt moeten mee omgaan. Zo niet komen we in een Kerstboomdilemma: omdat het led lichtjes zijn, hangen we er tweehonderd i.p.v. twintig en verbruiken we uiteindelijk toch niet minder.

    Hmm (ootmoedige toegeving), ik ben wat aan het doordrammen. Duidelijk het gevolg van een tekort aan zonlicht in deze wel erg sombere december. Behoefte aan een nieuw jaar, met meer fotonen en een frisse wind – liefst zoveel mogelijk. Goede voornemens maken en nieuwe lijstjes opstellen, met te schrappen: zoveel mogelijk onnozele brol.

    Bart Bode

    VERHUIS

    dinsdag, 28 november 2017 12:18

    Toen we net gehuwd waren – dat was toen namelijk in de mode – woonden we in wat doorgaans een arbeidswoning wordt genoemd. Je weet wel: twee plaatsjes, een keuken en een kot, een koertje en een tuintje. Het leuke was dat het huisje aan het Brugse voetbalstadion lag, waarbij op zondag (of zaterdagavond of woensdagavond) de ruiten trilden (het was nog enkel glas) als er gejuicht werd voor een doelpunt. We konden mee genieten van de aroma’s van het worstenkraam dat net voor de deur werd neer gestald, van de sfeer rondom het gebeuren (zolang dat niet gepaard ging met supportersgeweld), van de stroom mensen die wees naar waar het te gebeuren stond en die je het gevoel gaven dat je er bij moest zijn. Het was toen doorgaans nog een vredig, volks evenement en je kon het stadion bij de aanvang van de tweede helft zelfs gratis binnenwandelen om er een staanplaatsje zoeken.

    Naast dit onbetaalbare voordeel, was zowat alles in het huisje binnen handbereik. Gezeten aan de keukentafel konden we in de kast en de koelkast en konden we na afloop van de maaltijd de vaat zo op het aanrecht zetten. Tot daar de romantiek van het gebouw (de overige romantiek behoort geheel tot de privésfeer en daar heeft u dus, hoe nieuwsgierig u ook zou kunnen zijn, in het geheel geen zaken mee). Van de eigenaar kregen we jaarlijks 100 Belgische frank (u leest het wel degelijk correct) om het houtwerk buiten te schilderen. In de drie jaar dat we er woonden heb ik daarmee telkens twee ramen kunnen doen. In het tuintje hadden we kippen gekweekt, die we daarna amper durfden slachten omdat er een persoonlijke band was gegroeid tussen ons en de hoenders, zodat we ons éénmaal per week afvroegen of we nu Marietje of Zenobie aan het opeten waren. We hadden er, ondanks de zandgrond, zelfs een moestuintje, waarvan we de karige opbrengst niet mochten opeten omdat er dat jaar een ramp was gebeurd in Tsjernobyl en de weerman (ja, nog altijd dezelfde Frank) ons ten stelligste afraadde om de schamele productie in persoonlijke consumptie om te zetten.

    We verwarmden ons – ik durf het haast niet te zeggen, maar ja, iedereen heeft een jeugdzonde – met steenkool en er was ook een Leuvense stoof, waar een bezoekster eens de helft van haar sokken heeft laten aan kleven, omdat ze haar koude voeten wou warmen.

    Soms passeer ik nog eens langs dat huisje. Het is ondertussen niet langer een huurhuis en de nieuwe eigenaars hebben er een mooi geveltje van gemaakt – vermoedelijk degelijk geïsoleerd – en zijn er mooie ramen met dubbel glas en wordt het hopelijk verwarmd op een meer duurzame wijze. En dan heb ik even heimwee, maar dat gaat snel over, want het blijft wel erg klein en het tuintje zal wellicht nog grotendeels een zandbodem zijn en Marietje en Zenobie zijn toch dood en opgegeten.

    Na drie jaar zijn we dan verhuisd naar een eigen woning, waar we in de loop der jaren het dak en de muren geïsoleerd hebben, nieuwe ramen met dubbel glas aanbrachten, koterijen hebben afgebroken en – noblesse oblige – zonnepanelen en een zonneboiler lieten installeren. Er zijn nieuwe kippen, voor de eieren en om het keukenafval te verwerken en om naar hartenlust te scharrelen. De moestuin is verdwenen onder het bouwsel van mijn zoon, maar misschien begin ik – als ik ooit eens vijf minuten tijd heb – aan een nieuwe, tenzij er weer een boze wolk komt.

    Na al deze private ontboezemingen wil ik u ook meedelen dat, mocht u het nog niet vernomen hebben, we met ODE ook verhuizen. Naar een gebouw dat energetisch veel beter is dan het oude en waar er ruimte is om degelijk te vergaderen. U mag u dus verwachten aan een stroom van mensen die wijzen naar waar het te gebeuren staat en die je het gevoel zullen geven dat je er bij moet zijn. De inkom is gratis, dus je hoeft niet te wachten tot de tweede helft om binnen te komen. En we zorgen voor een zitplaats en een goede sfeer, waar we verder kunnen werken aan meer, veel meer hernieuwbare energie.

    Bart Bode

    HIER EN NU

    maandag, 30 oktober 2017 15:26

    Ik heb even geaarzeld om voor deze titel de Latijnse vertaling te gebruiken. Niet uit plotse pedanterie, maar omdat hic et nunc nu eenmaal zoveel gebiedender klinkt. Omdat je daaronder het mêlee voelt van talloze legioenen, ritmisch opgedeeld in cohorten, manipels en centuries en volgens de linies verdeeld in jongeren (hastati), mannen in de bloei van hun leven (principes) en achterin de veteranen (triarii).

    Omdat je daarbij de geurenmix kan ruiken van dampende paarden, ongewassen lijven met het zweet van angst of glorie, opgepoetste borststukken en geoliede zwaarden, vertrappeld gras, aangekoekte modder en vers gegraven aarde. Omdat dit zoveel beslissender klinkt, de impact zoveel groter kan zijn.

    Nee, dit is geen verheerlijking van de Romeinse tijden en ik weet ook dat één Obelix volstaat om dat hele zaakje allemaal in mekaar te rammen, om daarna triomfantelijk de helmen te verzamelen. Het gaat enkel om een taalgevoel, Fingerspitzengefühl zoals ons Mutti zou zeggen.

    Hier en nu doet me eerder denken aan een tijdschrift inzake literatuur, over de Rederijkers, de Romantici of zo. Hic et nunc is een bevel, dat je kan blaffen, waar je onmiddellijk beweging mee veroorzaakt. En daar gaat het in essentie over.

    Er zijn twee terreinen, die met elkaar verbonden zijn, waarbij onmiddellijke actie nodig is. Zowat elke week krijgen we duidelijke signalen dat we ons inzake klimaatverandering geen verder uitstel kunnen permitteren. Stormen worden heviger, net als bosbranden, extreme droogte en overvloedige regenval komen steeds meer voor. Zelfs het IMF – niet direct de falanx voor klimaatactie – spreekt over roosteren. Onze aarde is in groot gevaar, en daarmee ook de huidige en toekomstige bewoners. We zitten al de hele tijd in het rood, maar we blijven zitten als de kikkers in het opwarmende water. Er is het bijna georganiseerde tijdverlies van discussies tussen ontkenners, die de klimaatfenomenen toeschrijven aan enkel al of niet cyclische natuurverschijnselen, en overtuigden die de feiten onder ogen zien. We hebben echt geen tijd meer voor dergelijke debatten. Doortastende actie hic et nunc kan in deze materie niet bevelend genoeg klinken.

    Het andere terrein is onze energievoorziening. Hoe duurzamer we die maken, hoe beter voor het klimaat. Met energie-efficiëntie en hernieuwbare energie kunnen we ook onze verwarming en ons transport verduurzamen. Geopolitieke conflicten zijn zeer nauw verbonden met energiebronnen; ook daar kan dit effect ressorteren.

    Zoals het steentijdperk niet opgehouden is omdat er geen stenen meer waren, zo hoeft het fossiele tijdperk niet te eindigen met de uitputting van die bronnen. Hier en nu betekent dat we zo snel mogelijk stoppen met fossiele brandstoffen boven te halen. In feite mag er vanaf vandaag geen enkel brok steenkool meer bovengehaald worden. De mijnwerkers scholen we om, want de werkgelegenheid in de hernieuwbare energiesector is vele malen groter.

    Het Belgische energiebeleid, in tegenstelling tot wat in de eigen gewesten gebeurt, blinkt uit in aarzeling. Het argument van de kostprijs is achterhaald: windenergie b.v. is vandaag de goedkoopste vorm van nieuwe energie opwekking. Om de federale aarzeling te verdoezelen, wordt er nog even een krakkemikkige burgerconsultatie georganiseerd. Een fundamentele energievisie, die omgezet wordt in een effectief en efficiënt energiebeleid moet inderdaad gedragen worden van onderuit – maar elke peiling wijst uit dat een zeer grote meerderheid al lang hernieuwbare energie wil. Dus moet van bovenuit ook durven beslist worden om de keuze voor de volledige transitie naar hernieuwbare energie zo snel mogelijk te maken. Elk uitstel hierover is quasi misdadig ten opzichte van de volgende generaties, de hastati van morgen. Bijgevolg zetten we al onze legioenen in voor hernieuwbare energie, hic et nunc!

    Bart Bode

    SPIN

    vrijdag, 29 september 2017 10:30

    Ik dacht: is het nu gedaan met de spin Sebastiaan? De laatste dagen – excuseer: avonden – was hij een trouw gezelschap geworden. In het begin maakte hij rondom mij een grote cirkel op de muur: eerst naar boven en dan naar beneden. Daarna stoof hij een aantal keer in een rotvaart onder mijn stoel door. Stilaan leek hij mij te vertrouwen. Ik had mijn huisgenoten meer dan eens afgeraden om hem kwaad te doen, gezien zijn nuttige bijdrage aan het verminderen van het aantal insecten in huis.

    Het vertrouwen ging zo ver dat hij op een avond heel dicht bij kwam. Als een volleerd acteur kwam hij sloomweg aangeslopen. Schijnbaar moe of uitgeput, alsof hij een reuzehonger had, met grote rustpauzes. Tot hij het lef had om – toch heel behoedzaam – achteraan op mijn scherm te kruipen en bovenaan net over de rand te hangen, zijn blik (vermoed ik) in mijn richting, loerend naar mij met die ongestelde vraag: ben je bang van mij?

    Als kind leerde ik de grote huisspinnen kennen bij mijn grootmoeder die ze “Bartholomeus spinnen” noemde, omdat ze rond 24 augustus – de naamdag van deze zeer belangrijke heilige – het huis binnenkwamen of ten minste begonnen op te vallen. Grootmoeder nam dan meestal een borstel en een vuilblik om ze uit de weg te ruimen. Een lot dat ze vaak moeten ondergaan en dat dramatisch mooi verwoord werd in het gedicht van Annie M.G. Schmidt: “De Spin Sebastiaan”.

    Ik vroeg me af of grote huisspinnen ook een web weven. En is dat anders dan dat van de kruisspin die ik in deze tijd van het jaar letterlijk tegen het lijf loop en die me ’s morgens ongevraagd met een fijne voile drapeert als ik de fiets uit het schuurtje haal? Het alleswetende internet leert me dat de grote huisspin matwebben weeft, die niet zo kleven. En dat zijn officiële naam niet Sebastiaan of Bartholomeus is, maar Tegenaria Parietina. Ook niet om onmiddellijk bang van te worden.

    Welke netten ze ook weven, het zijn meestal echte kunstwerken. De netten waar we in de energiewereld mee te maken hebben, zijn in wezen ook kunstwerken, die meer en meer uitgedaagd door de nieuwe evoluties. Zoals bij elke vernieuwing komen daar heel wat vragen rond. Vragen waarvan je het antwoord (nog) niet op het internet vindt. Sommige vragen zijn terecht. De inpassing van grote hoeveelheden zon- en windenergie op de elektriciteitsnetten vormt een uitdaging. Het zet aan tot verder onderzoek hoe we elektriciteit kunnen opslaan, al of niet omgezet naar een andere energievorm. Het zet aan tot anders omgaan met de eigen vraag: niet op elk moment de spreekwoordelijke kraan helemaal opendraaien, maar in huishoudens en bedrijven nadenken wanneer je die energie opvraagt. Die vragen zullen verder toenemen naarmate we een deel van de warmtevraag en het transport gaan elektrificeren. Zullen de netten dat wel aankunnen? Zullen er geen nieuwe files ontstaan rond laadpalen? En wat als het een week lang niet waait en mistig koud is? Ook rond de aanleg van warmtenetten worden heel wat vragen gesteld. Hoe ver kan je daar mee gaan? Wat is het energetische en financiële rendement? En wat als er geen huisvuil meer is om te verbranden en wat als de diep geothermische warmtebronnen plots een terugval kennen?

    Dat zijn allemaal uitdagingen die de energietransitie met zich meebrengt. De Sebastiaanse vraag is: zijn we daar bang van of pakken we dat aan? Wat zou het leven zijn zonder uitdagingen? Hoe plezant is deze periode niet voor ingenieurs, professoren en onderzoekers die hun creativiteit, hun wetenschap en kennis optimaal mogen benutten om nieuwe netten te spinnen, nieuwe kunstwerken te maken die oplossingen aanreiken voor deze uitdagingen. Daarom organiseren we ook studiedagen en seminaries om antwoorden te vinden en ze mee bekend te maken.

    Dus nee, Sebastiaan, we zijn niet bang.

    Bart Bode

    STAAK

    donderdag, 27 juli 2017 15:50

    Familiekronieken worden meestal tijdens de feestdagen aan de eettafel verteld. Ze worden opnieuw en opnieuw herhaald en telkens weer wat bij gekruid door de geur van de spijzen, het onvermijdelijke peper- en zoutvaatje, het enthousiasme van de ontmoeting en de warmte van het samenzijn.

    Na ettelijke jaren wordt het moeilijker en moeilijker om de oorspronkelijke feiten te onderscheiden van meer recente versies, die ondertussen door lichtelijke overdrijvingen werden aangedikt.

    Zo belangrijk is dat onderscheid nu ook weer niet; de kwestie is dat er een goed verhaal verteld wordt, liefst met een humoristische inslag (laat de horror maar aan de waan van de dag), zodat er – tenminste aan die kant van de tafel waar men kan meeluisteren – in een collectieve bulderlach kan worden geschoten en – afhankelijk van het gehalte van de hilariteit – ook op de schouders van de buren of op de eigen billen kan gekletst worden.

    Zo is er het verhaal van mijn oudste broer die, toen hij nog een broekventje was, met mijn vader en mijn peter de wei introk (mijn peter was namelijk landbouwer, of liever “agrariër” zoals zijn zoon ietwat plechtstatig verkondigde) om een aantal staken te verplaatsen. Toen mijn vader en mijn peter na ettelijke pogingen en met vereende krachten er niet in slaagden om een bepaalde staak uit te trekken (polderklei kan soms heel taai zijn), riep mijn broer broekventje de historische woorden: “Uit de weg, ik zal dat wel eens doen!” (of zoiets, want het verhaal is al vele keren verteld en de polderklei is ondertussen nog veel taaier, de staak nog dikker en mijn broer nog meer broekventje geworden).

    Staken verplaatsen of grenzen verleggen is een taaie opdracht, dat merken we ook in de energiewereld. Aan de staken hangen draden (voor elektriciteit zelfs een heel net) en als je aan één draad trekt, komen er een heleboel in beweging. De overschakeling naar hernieuwbare energie brengt heel wat verandering met zich mee. We evolueren weg van de oude principes – zoals het in vraag stellen van de noodzaak aan baseload – naar nieuwe situaties die wellicht complexer zullen zijn. Dat is een uitdaging, waar we de nodige creativiteit en soms wat lef zullen voor nodig hebben. We zoeken en vinden oplossingen voor opslag, vraagsturing en interconnectie die de variabele productie van groene stroom omzet in leveringszekerheid. We blijven verder evolueren naar meer energie-efficiëntie in woningen, bedrijven en transport. We investeren in warmtenetten waar het kan en elektrificatie met warmtepompen.

    Het voorbije decennium hebben de meeste energiebedrijven zich daar op toegelegd en hebben ze met succes al heel wat grenzen verlegd. Die transitie is ondertussen onomkeerbaar geworden, ook al blijft er een taaie weerstand die – waar mogelijk – allerlei vertragingsmaneuvers organiseert. Nochtans hebben we er alle belang bij om de energietransitie te versnellen. De opwarming van het klimaat manifesteert zich steeds duidelijker, dus wordt elke mogelijke maatregel om dit tegen te gaan urgenter.

    Om dit alles vol te houden is het ook nodig om af en toe eens de menselijke batterijen op te laden.

    De zomervakantie is voor de meesten onder ons de aangewezen periode om de gewone activiteiten te staken – immers, enkel een malafide lezer heeft bij de titel van dit stukje aan een syndicale oproep gedacht – en verdiend te genieten van zon, wind en warmte. En – wie weet – om een memorabele gebeurtenis mee te maken, die later aan de feestdis naar believen kan worden aangedikt.

    Bart Bode

    OPEN

    donderdag, 29 juni 2017 16:03

    Ik kreeg ooit de vraag of men in onze hoofdstad extra op de hoede is voor inbrekers. Ik brak bijna mijn hoofd over waar nu de strik zat in die queeste, tot de West-Vlaamse clou onthuld werd: omdat er op de deuren van winkels en horecazaken een bordje hangt met “ferme gesloten”. Ten minste gedurende de sluitingsuren, want anders zijn ze “ouvert/open”. Bij dit laatste komt er geen woordspelletje aan te pas. Op zich is dat jammer, want een dubbele openheid is welkom in deze wereld.

    Openheid is een kunst. Het nieuwe of onbekende doet ons in een verdedigingsreflex nogal snel een deur dicht gooien en pas daarna, met heel veel aarzeling, op een kier zetten. Dit zijn menselijke reflexen en dus valt er geen verwijt te maken. Naarmate er meer nieuwe en onbekende zaken op ons afkomen, moeten we dus de kunst van de openheid meer gaan oefenen. Dit vraagt flexibiliteit en het vermogen om snel te selecteren. De hoeveelheid informatie die we te verwerken krijgen, wordt altijd maar groter. Via het internet beschikken we over een oceaan aan mogelijkheden. Je kan de deur zomaar openzetten en de informatie stroomt naar binnen, altijd maar sneller. Naar de duiding van die informatie moet je zelf op zoek, een handleiding moet je zelf vinden. En dat is niet altijd gemakkelijk. Ik hanteer daarbij een korte checklist – zeg maar de deurposten – vooraleer ik de deur openzet: weet ik waar de info vandaan komt? Is die informatie onderbouwd? En wie wordt daar beter van? Mocht ik het kunnen, ik zou hier een app van maken.

    Het zijn vooral de veranderingen in onze nabije omgeving die onze openheid aftasten. Alles wat vertrouwd is, willen we in principe zo houden. De volgende generaties zullen daar anders op reageren, want het vertrouwde situeert zich meestal in het nu. Protest tegen windturbines komt onder meer uit de houding van het behoud van de vertrouwde omgeving. Die windturbines zijn bedoeld om hernieuwbare energie te leveren, zodat de komende generaties niet – of minder – opgezadeld zitten met een onoverkomelijk klimaatprobleem (kwestie van te weten wie er beter van wordt). Die komende generaties zullen windturbines in hun omgeving als geheel normaal, ja vertrouwd beschouwen. Het is zoals ex-president Obama het verwoordde: we zijn wellicht de laatste generatie die de klimaatopwarming kan tegengaan, maar misschien de eerste generatie die de mogelijke gevolgen zal ondervinden.

    Voor de aanpak van de energietransitie in het kader van die klimaataanpak zullen we moeten blijven openstaan voor nieuwe ideeën. Enkele weken geleden heb ik met open mond (excuseer, want dit overkomt me niet vaak) zitten luisteren naar de auteur van de Blauwe Economie 1.0 en 2.0 die als een bruistablet het ene innovatieve idee na het andere debiteerde. De clou van de innovatie bestaat meestal uit de openheid om verder te denken dan wat we gewoon zijn of zelfs het denkproces om te draaien. Om maar één voorbeeld te noemen: kunnen we drinkwater genereren bij het kweken van tomaten in plaats van ettelijke duizenden liters nodig te hebben tijdens die teelt? Ja, dat kan. Onder meer door het aanwenden van hernieuwbare energie.

    Die open houding hebben we ook nodig bij de beleidsmakers. Verder durven denken dan de volgende verkiezingen. In Vlaanderen zijn we al aardig op weg. Zo realiseren we dit jaar de 1000ste Megawatt geïnstalleerde windenergie, dankzij onder meer de openheid bij beleidsmakers. Die openheid en verantwoordelijkheid zien we bij voorkeur op alle beleidsniveaus, van federaal tot lokaal. Want we staan nog maar aan het begin van de energietransitie. De deur staat nog maar op een kier, terwijl hij ferme moet opengaan.

    Bart Bode

    Pagina 1 van 8
  • angeltorrents.com