• Today torrents
  • Nieuwsbrief

    Nieuwsbrief
    1. Ongeldige invoer
    2. Ongeldige invoer
    3. Ongeldige invoer
    4. Beveiligingscode Ongeldige invoer

     

     

    WNVL logo VL 143x80 dpi zondertekst

    ODE header nieuw

    BROL

    vrijdag, 22 december 2017 11:03

    Naar het einde van het jaar toe worden telkens weer allerlei lijsten opgesteld. Ik heb het niet over deurlijsten of broeklijsten, maar over lijsten zoals jaaroverzichten, de beste sporter, voetballer, wielrenster, de mooiste 100 of 1000 liedjes, Vlaams of Belgisch of tout court alle muziek. Wie daar volgens mij steevast in ontbreekt, is Willem Vermandere met zijn ballade: “de wereld zit vol met onnozele brol”.

    Akkoord, muzikaal is Mozart een groter genie. En toegegeven, tekstueel is Tennyson veel virtuozer. Denk maar aan zijn wondermooie versie van het verhaal van The Lady of Shalott, dat niet over een soort ajuinen gaat, maar over een dame die de wereld en haar geliefde alleen via een spiegel mag bekijken. Dit literaire meesterwerk wordt ook vandaag nog door Loreena McKennitt bezongen. Het situeert zich in de sfeer van de Koning Arthur legendes; de geliefde van de dame is natuurlijk Lancelot en het drama speelt zich af nabij het kasteel Camelot. En toevallig is kamelot in de taal van Vermandere een synoniem van brol. De cirkel is rond.

    Het is de boodschap van Vermandere die ik essentieel vind: we zitten gewoon met veel te veel brol op onze aardbol. In onze havens worden dagelijks duizenden containers gelost, afkomstig uit vele uithoeken van deze wereld. Deze containers worden vervolgens over de weg naar hun bestemming vervoerd, waarbij de inhoud – nadat die b.v. in een sorteercentrum werd uitgeladen en geselecteerd op nog een tussenbestemming of het eindadres – in een aangepast vervoermiddel nog eens wordt getransporteerd en – na uren in de file gestaan te hebben – eindelijk wordt afgeleverd, om daarna gretig door de bestemmeling uit een enorme hoeveelheid verpakking te worden gehaald. En als het de verkeerde bestelling is, moet laatstgenoemde opnieuw naar de website “brol.com” en kan de hele reutemeteut opnieuw beginnen, desnoods tot in China, waar het bruto nationaal product verder floreert met elke bijkomende bestelling. En ja (ootmoedige bekentenis), ik doe daar ook al eens aan mee. Soms wil een mens al eens tot een massa behoren…

    De gevolgen zijn niet gering: onze wegen staan vol, onder meer met bestelwagens vol onnozele brol; onze oceanen zitten vol plastic, grotendeels afkomstig van die onnozele brol; grondstoffen raken uitgeput door het maken van…

    Maar daar hebben we het volgende op gevonden: we zorgen dat we zoveel mogelijk recycleren en opnieuw gebruiken, zodat we de aarde niet verder uitputten en we kunnen spreken van een circulaire economie.

    Akkoord, dit is een meer dan eerbaar doel en we moeten absoluut voor een maximale recyclage gaan, maar dat alles vraagt de nodige energie. En als we de cirkel echt willen sluiten, dan kan dat enkel met hernieuwbare energie. En ook al is het hernieuwbare energie, dat betekent niet dat we daar minder efficiënt moeten mee omgaan. Zo niet komen we in een Kerstboomdilemma: omdat het led lichtjes zijn, hangen we er tweehonderd i.p.v. twintig en verbruiken we uiteindelijk toch niet minder.

    Hmm (ootmoedige toegeving), ik ben wat aan het doordrammen. Duidelijk het gevolg van een tekort aan zonlicht in deze wel erg sombere december. Behoefte aan een nieuw jaar, met meer fotonen en een frisse wind – liefst zoveel mogelijk. Goede voornemens maken en nieuwe lijstjes opstellen, met te schrappen: zoveel mogelijk onnozele brol.

    Bart Bode

    VERHUIS

    dinsdag, 28 november 2017 12:18

    Toen we net gehuwd waren – dat was toen namelijk in de mode – woonden we in wat doorgaans een arbeidswoning wordt genoemd. Je weet wel: twee plaatsjes, een keuken en een kot, een koertje en een tuintje. Het leuke was dat het huisje aan het Brugse voetbalstadion lag, waarbij op zondag (of zaterdagavond of woensdagavond) de ruiten trilden (het was nog enkel glas) als er gejuicht werd voor een doelpunt. We konden mee genieten van de aroma’s van het worstenkraam dat net voor de deur werd neer gestald, van de sfeer rondom het gebeuren (zolang dat niet gepaard ging met supportersgeweld), van de stroom mensen die wees naar waar het te gebeuren stond en die je het gevoel gaven dat je er bij moest zijn. Het was toen doorgaans nog een vredig, volks evenement en je kon het stadion bij de aanvang van de tweede helft zelfs gratis binnenwandelen om er een staanplaatsje zoeken.

    Naast dit onbetaalbare voordeel, was zowat alles in het huisje binnen handbereik. Gezeten aan de keukentafel konden we in de kast en de koelkast en konden we na afloop van de maaltijd de vaat zo op het aanrecht zetten. Tot daar de romantiek van het gebouw (de overige romantiek behoort geheel tot de privésfeer en daar heeft u dus, hoe nieuwsgierig u ook zou kunnen zijn, in het geheel geen zaken mee). Van de eigenaar kregen we jaarlijks 100 Belgische frank (u leest het wel degelijk correct) om het houtwerk buiten te schilderen. In de drie jaar dat we er woonden heb ik daarmee telkens twee ramen kunnen doen. In het tuintje hadden we kippen gekweekt, die we daarna amper durfden slachten omdat er een persoonlijke band was gegroeid tussen ons en de hoenders, zodat we ons éénmaal per week afvroegen of we nu Marietje of Zenobie aan het opeten waren. We hadden er, ondanks de zandgrond, zelfs een moestuintje, waarvan we de karige opbrengst niet mochten opeten omdat er dat jaar een ramp was gebeurd in Tsjernobyl en de weerman (ja, nog altijd dezelfde Frank) ons ten stelligste afraadde om de schamele productie in persoonlijke consumptie om te zetten.

    We verwarmden ons – ik durf het haast niet te zeggen, maar ja, iedereen heeft een jeugdzonde – met steenkool en er was ook een Leuvense stoof, waar een bezoekster eens de helft van haar sokken heeft laten aan kleven, omdat ze haar koude voeten wou warmen.

    Soms passeer ik nog eens langs dat huisje. Het is ondertussen niet langer een huurhuis en de nieuwe eigenaars hebben er een mooi geveltje van gemaakt – vermoedelijk degelijk geïsoleerd – en zijn er mooie ramen met dubbel glas en wordt het hopelijk verwarmd op een meer duurzame wijze. En dan heb ik even heimwee, maar dat gaat snel over, want het blijft wel erg klein en het tuintje zal wellicht nog grotendeels een zandbodem zijn en Marietje en Zenobie zijn toch dood en opgegeten.

    Na drie jaar zijn we dan verhuisd naar een eigen woning, waar we in de loop der jaren het dak en de muren geïsoleerd hebben, nieuwe ramen met dubbel glas aanbrachten, koterijen hebben afgebroken en – noblesse oblige – zonnepanelen en een zonneboiler lieten installeren. Er zijn nieuwe kippen, voor de eieren en om het keukenafval te verwerken en om naar hartenlust te scharrelen. De moestuin is verdwenen onder het bouwsel van mijn zoon, maar misschien begin ik – als ik ooit eens vijf minuten tijd heb – aan een nieuwe, tenzij er weer een boze wolk komt.

    Na al deze private ontboezemingen wil ik u ook meedelen dat, mocht u het nog niet vernomen hebben, we met ODE ook verhuizen. Naar een gebouw dat energetisch veel beter is dan het oude en waar er ruimte is om degelijk te vergaderen. U mag u dus verwachten aan een stroom van mensen die wijzen naar waar het te gebeuren staat en die je het gevoel zullen geven dat je er bij moet zijn. De inkom is gratis, dus je hoeft niet te wachten tot de tweede helft om binnen te komen. En we zorgen voor een zitplaats en een goede sfeer, waar we verder kunnen werken aan meer, veel meer hernieuwbare energie.

    Bart Bode

    HIER EN NU

    maandag, 30 oktober 2017 15:26

    Ik heb even geaarzeld om voor deze titel de Latijnse vertaling te gebruiken. Niet uit plotse pedanterie, maar omdat hic et nunc nu eenmaal zoveel gebiedender klinkt. Omdat je daaronder het mêlee voelt van talloze legioenen, ritmisch opgedeeld in cohorten, manipels en centuries en volgens de linies verdeeld in jongeren (hastati), mannen in de bloei van hun leven (principes) en achterin de veteranen (triarii).

    Omdat je daarbij de geurenmix kan ruiken van dampende paarden, ongewassen lijven met het zweet van angst of glorie, opgepoetste borststukken en geoliede zwaarden, vertrappeld gras, aangekoekte modder en vers gegraven aarde. Omdat dit zoveel beslissender klinkt, de impact zoveel groter kan zijn.

    Nee, dit is geen verheerlijking van de Romeinse tijden en ik weet ook dat één Obelix volstaat om dat hele zaakje allemaal in mekaar te rammen, om daarna triomfantelijk de helmen te verzamelen. Het gaat enkel om een taalgevoel, Fingerspitzengefühl zoals ons Mutti zou zeggen.

    Hier en nu doet me eerder denken aan een tijdschrift inzake literatuur, over de Rederijkers, de Romantici of zo. Hic et nunc is een bevel, dat je kan blaffen, waar je onmiddellijk beweging mee veroorzaakt. En daar gaat het in essentie over.

    Er zijn twee terreinen, die met elkaar verbonden zijn, waarbij onmiddellijke actie nodig is. Zowat elke week krijgen we duidelijke signalen dat we ons inzake klimaatverandering geen verder uitstel kunnen permitteren. Stormen worden heviger, net als bosbranden, extreme droogte en overvloedige regenval komen steeds meer voor. Zelfs het IMF – niet direct de falanx voor klimaatactie – spreekt over roosteren. Onze aarde is in groot gevaar, en daarmee ook de huidige en toekomstige bewoners. We zitten al de hele tijd in het rood, maar we blijven zitten als de kikkers in het opwarmende water. Er is het bijna georganiseerde tijdverlies van discussies tussen ontkenners, die de klimaatfenomenen toeschrijven aan enkel al of niet cyclische natuurverschijnselen, en overtuigden die de feiten onder ogen zien. We hebben echt geen tijd meer voor dergelijke debatten. Doortastende actie hic et nunc kan in deze materie niet bevelend genoeg klinken.

    Het andere terrein is onze energievoorziening. Hoe duurzamer we die maken, hoe beter voor het klimaat. Met energie-efficiëntie en hernieuwbare energie kunnen we ook onze verwarming en ons transport verduurzamen. Geopolitieke conflicten zijn zeer nauw verbonden met energiebronnen; ook daar kan dit effect ressorteren.

    Zoals het steentijdperk niet opgehouden is omdat er geen stenen meer waren, zo hoeft het fossiele tijdperk niet te eindigen met de uitputting van die bronnen. Hier en nu betekent dat we zo snel mogelijk stoppen met fossiele brandstoffen boven te halen. In feite mag er vanaf vandaag geen enkel brok steenkool meer bovengehaald worden. De mijnwerkers scholen we om, want de werkgelegenheid in de hernieuwbare energiesector is vele malen groter.

    Het Belgische energiebeleid, in tegenstelling tot wat in de eigen gewesten gebeurt, blinkt uit in aarzeling. Het argument van de kostprijs is achterhaald: windenergie b.v. is vandaag de goedkoopste vorm van nieuwe energie opwekking. Om de federale aarzeling te verdoezelen, wordt er nog even een krakkemikkige burgerconsultatie georganiseerd. Een fundamentele energievisie, die omgezet wordt in een effectief en efficiënt energiebeleid moet inderdaad gedragen worden van onderuit – maar elke peiling wijst uit dat een zeer grote meerderheid al lang hernieuwbare energie wil. Dus moet van bovenuit ook durven beslist worden om de keuze voor de volledige transitie naar hernieuwbare energie zo snel mogelijk te maken. Elk uitstel hierover is quasi misdadig ten opzichte van de volgende generaties, de hastati van morgen. Bijgevolg zetten we al onze legioenen in voor hernieuwbare energie, hic et nunc!

    Bart Bode

    SPIN

    vrijdag, 29 september 2017 10:30

    Ik dacht: is het nu gedaan met de spin Sebastiaan? De laatste dagen – excuseer: avonden – was hij een trouw gezelschap geworden. In het begin maakte hij rondom mij een grote cirkel op de muur: eerst naar boven en dan naar beneden. Daarna stoof hij een aantal keer in een rotvaart onder mijn stoel door. Stilaan leek hij mij te vertrouwen. Ik had mijn huisgenoten meer dan eens afgeraden om hem kwaad te doen, gezien zijn nuttige bijdrage aan het verminderen van het aantal insecten in huis.

    Het vertrouwen ging zo ver dat hij op een avond heel dicht bij kwam. Als een volleerd acteur kwam hij sloomweg aangeslopen. Schijnbaar moe of uitgeput, alsof hij een reuzehonger had, met grote rustpauzes. Tot hij het lef had om – toch heel behoedzaam – achteraan op mijn scherm te kruipen en bovenaan net over de rand te hangen, zijn blik (vermoed ik) in mijn richting, loerend naar mij met die ongestelde vraag: ben je bang van mij?

    Als kind leerde ik de grote huisspinnen kennen bij mijn grootmoeder die ze “Bartholomeus spinnen” noemde, omdat ze rond 24 augustus – de naamdag van deze zeer belangrijke heilige – het huis binnenkwamen of ten minste begonnen op te vallen. Grootmoeder nam dan meestal een borstel en een vuilblik om ze uit de weg te ruimen. Een lot dat ze vaak moeten ondergaan en dat dramatisch mooi verwoord werd in het gedicht van Annie M.G. Schmidt: “De Spin Sebastiaan”.

    Ik vroeg me af of grote huisspinnen ook een web weven. En is dat anders dan dat van de kruisspin die ik in deze tijd van het jaar letterlijk tegen het lijf loop en die me ’s morgens ongevraagd met een fijne voile drapeert als ik de fiets uit het schuurtje haal? Het alleswetende internet leert me dat de grote huisspin matwebben weeft, die niet zo kleven. En dat zijn officiële naam niet Sebastiaan of Bartholomeus is, maar Tegenaria Parietina. Ook niet om onmiddellijk bang van te worden.

    Welke netten ze ook weven, het zijn meestal echte kunstwerken. De netten waar we in de energiewereld mee te maken hebben, zijn in wezen ook kunstwerken, die meer en meer uitgedaagd door de nieuwe evoluties. Zoals bij elke vernieuwing komen daar heel wat vragen rond. Vragen waarvan je het antwoord (nog) niet op het internet vindt. Sommige vragen zijn terecht. De inpassing van grote hoeveelheden zon- en windenergie op de elektriciteitsnetten vormt een uitdaging. Het zet aan tot verder onderzoek hoe we elektriciteit kunnen opslaan, al of niet omgezet naar een andere energievorm. Het zet aan tot anders omgaan met de eigen vraag: niet op elk moment de spreekwoordelijke kraan helemaal opendraaien, maar in huishoudens en bedrijven nadenken wanneer je die energie opvraagt. Die vragen zullen verder toenemen naarmate we een deel van de warmtevraag en het transport gaan elektrificeren. Zullen de netten dat wel aankunnen? Zullen er geen nieuwe files ontstaan rond laadpalen? En wat als het een week lang niet waait en mistig koud is? Ook rond de aanleg van warmtenetten worden heel wat vragen gesteld. Hoe ver kan je daar mee gaan? Wat is het energetische en financiële rendement? En wat als er geen huisvuil meer is om te verbranden en wat als de diep geothermische warmtebronnen plots een terugval kennen?

    Dat zijn allemaal uitdagingen die de energietransitie met zich meebrengt. De Sebastiaanse vraag is: zijn we daar bang van of pakken we dat aan? Wat zou het leven zijn zonder uitdagingen? Hoe plezant is deze periode niet voor ingenieurs, professoren en onderzoekers die hun creativiteit, hun wetenschap en kennis optimaal mogen benutten om nieuwe netten te spinnen, nieuwe kunstwerken te maken die oplossingen aanreiken voor deze uitdagingen. Daarom organiseren we ook studiedagen en seminaries om antwoorden te vinden en ze mee bekend te maken.

    Dus nee, Sebastiaan, we zijn niet bang.

    Bart Bode

    STAAK

    donderdag, 27 juli 2017 15:50

    Familiekronieken worden meestal tijdens de feestdagen aan de eettafel verteld. Ze worden opnieuw en opnieuw herhaald en telkens weer wat bij gekruid door de geur van de spijzen, het onvermijdelijke peper- en zoutvaatje, het enthousiasme van de ontmoeting en de warmte van het samenzijn.

    Na ettelijke jaren wordt het moeilijker en moeilijker om de oorspronkelijke feiten te onderscheiden van meer recente versies, die ondertussen door lichtelijke overdrijvingen werden aangedikt.

    Zo belangrijk is dat onderscheid nu ook weer niet; de kwestie is dat er een goed verhaal verteld wordt, liefst met een humoristische inslag (laat de horror maar aan de waan van de dag), zodat er – tenminste aan die kant van de tafel waar men kan meeluisteren – in een collectieve bulderlach kan worden geschoten en – afhankelijk van het gehalte van de hilariteit – ook op de schouders van de buren of op de eigen billen kan gekletst worden.

    Zo is er het verhaal van mijn oudste broer die, toen hij nog een broekventje was, met mijn vader en mijn peter de wei introk (mijn peter was namelijk landbouwer, of liever “agrariër” zoals zijn zoon ietwat plechtstatig verkondigde) om een aantal staken te verplaatsen. Toen mijn vader en mijn peter na ettelijke pogingen en met vereende krachten er niet in slaagden om een bepaalde staak uit te trekken (polderklei kan soms heel taai zijn), riep mijn broer broekventje de historische woorden: “Uit de weg, ik zal dat wel eens doen!” (of zoiets, want het verhaal is al vele keren verteld en de polderklei is ondertussen nog veel taaier, de staak nog dikker en mijn broer nog meer broekventje geworden).

    Staken verplaatsen of grenzen verleggen is een taaie opdracht, dat merken we ook in de energiewereld. Aan de staken hangen draden (voor elektriciteit zelfs een heel net) en als je aan één draad trekt, komen er een heleboel in beweging. De overschakeling naar hernieuwbare energie brengt heel wat verandering met zich mee. We evolueren weg van de oude principes – zoals het in vraag stellen van de noodzaak aan baseload – naar nieuwe situaties die wellicht complexer zullen zijn. Dat is een uitdaging, waar we de nodige creativiteit en soms wat lef zullen voor nodig hebben. We zoeken en vinden oplossingen voor opslag, vraagsturing en interconnectie die de variabele productie van groene stroom omzet in leveringszekerheid. We blijven verder evolueren naar meer energie-efficiëntie in woningen, bedrijven en transport. We investeren in warmtenetten waar het kan en elektrificatie met warmtepompen.

    Het voorbije decennium hebben de meeste energiebedrijven zich daar op toegelegd en hebben ze met succes al heel wat grenzen verlegd. Die transitie is ondertussen onomkeerbaar geworden, ook al blijft er een taaie weerstand die – waar mogelijk – allerlei vertragingsmaneuvers organiseert. Nochtans hebben we er alle belang bij om de energietransitie te versnellen. De opwarming van het klimaat manifesteert zich steeds duidelijker, dus wordt elke mogelijke maatregel om dit tegen te gaan urgenter.

    Om dit alles vol te houden is het ook nodig om af en toe eens de menselijke batterijen op te laden.

    De zomervakantie is voor de meesten onder ons de aangewezen periode om de gewone activiteiten te staken – immers, enkel een malafide lezer heeft bij de titel van dit stukje aan een syndicale oproep gedacht – en verdiend te genieten van zon, wind en warmte. En – wie weet – om een memorabele gebeurtenis mee te maken, die later aan de feestdis naar believen kan worden aangedikt.

    Bart Bode

    OPEN

    donderdag, 29 juni 2017 16:03

    Ik kreeg ooit de vraag of men in onze hoofdstad extra op de hoede is voor inbrekers. Ik brak bijna mijn hoofd over waar nu de strik zat in die queeste, tot de West-Vlaamse clou onthuld werd: omdat er op de deuren van winkels en horecazaken een bordje hangt met “ferme gesloten”. Ten minste gedurende de sluitingsuren, want anders zijn ze “ouvert/open”. Bij dit laatste komt er geen woordspelletje aan te pas. Op zich is dat jammer, want een dubbele openheid is welkom in deze wereld.

    Openheid is een kunst. Het nieuwe of onbekende doet ons in een verdedigingsreflex nogal snel een deur dicht gooien en pas daarna, met heel veel aarzeling, op een kier zetten. Dit zijn menselijke reflexen en dus valt er geen verwijt te maken. Naarmate er meer nieuwe en onbekende zaken op ons afkomen, moeten we dus de kunst van de openheid meer gaan oefenen. Dit vraagt flexibiliteit en het vermogen om snel te selecteren. De hoeveelheid informatie die we te verwerken krijgen, wordt altijd maar groter. Via het internet beschikken we over een oceaan aan mogelijkheden. Je kan de deur zomaar openzetten en de informatie stroomt naar binnen, altijd maar sneller. Naar de duiding van die informatie moet je zelf op zoek, een handleiding moet je zelf vinden. En dat is niet altijd gemakkelijk. Ik hanteer daarbij een korte checklist – zeg maar de deurposten – vooraleer ik de deur openzet: weet ik waar de info vandaan komt? Is die informatie onderbouwd? En wie wordt daar beter van? Mocht ik het kunnen, ik zou hier een app van maken.

    Het zijn vooral de veranderingen in onze nabije omgeving die onze openheid aftasten. Alles wat vertrouwd is, willen we in principe zo houden. De volgende generaties zullen daar anders op reageren, want het vertrouwde situeert zich meestal in het nu. Protest tegen windturbines komt onder meer uit de houding van het behoud van de vertrouwde omgeving. Die windturbines zijn bedoeld om hernieuwbare energie te leveren, zodat de komende generaties niet – of minder – opgezadeld zitten met een onoverkomelijk klimaatprobleem (kwestie van te weten wie er beter van wordt). Die komende generaties zullen windturbines in hun omgeving als geheel normaal, ja vertrouwd beschouwen. Het is zoals ex-president Obama het verwoordde: we zijn wellicht de laatste generatie die de klimaatopwarming kan tegengaan, maar misschien de eerste generatie die de mogelijke gevolgen zal ondervinden.

    Voor de aanpak van de energietransitie in het kader van die klimaataanpak zullen we moeten blijven openstaan voor nieuwe ideeën. Enkele weken geleden heb ik met open mond (excuseer, want dit overkomt me niet vaak) zitten luisteren naar de auteur van de Blauwe Economie 1.0 en 2.0 die als een bruistablet het ene innovatieve idee na het andere debiteerde. De clou van de innovatie bestaat meestal uit de openheid om verder te denken dan wat we gewoon zijn of zelfs het denkproces om te draaien. Om maar één voorbeeld te noemen: kunnen we drinkwater genereren bij het kweken van tomaten in plaats van ettelijke duizenden liters nodig te hebben tijdens die teelt? Ja, dat kan. Onder meer door het aanwenden van hernieuwbare energie.

    Die open houding hebben we ook nodig bij de beleidsmakers. Verder durven denken dan de volgende verkiezingen. In Vlaanderen zijn we al aardig op weg. Zo realiseren we dit jaar de 1000ste Megawatt geïnstalleerde windenergie, dankzij onder meer de openheid bij beleidsmakers. Die openheid en verantwoordelijkheid zien we bij voorkeur op alle beleidsniveaus, van federaal tot lokaal. Want we staan nog maar aan het begin van de energietransitie. De deur staat nog maar op een kier, terwijl hij ferme moet opengaan.

    Bart Bode

    VOET

    dinsdag, 30 mei 2017 14:37

    Minstens eenmaal ben ik tijdens een reis aan een ernstige ramp ontsnapt. Nu ja, wellicht vele malen, maar de meeste vermeden rampen zijn amper het vermelden waard of weet je gewoon niet. Maar die keer herinner ik me nog als de dag van gisteren. In het diepe binnenland van Guatemala leunde ik tijdens het tandenpoetsen gewoontegetrouw even op de lavabo van de hotelkamer.

    Een tel later lag die lavabo op twee millimeter van mijn voeten op de grond. Was dat twintig millimeter naar voor geweest, dan had ik de rest van de reis in een rolstoel moeten maken, wat gezien het reliëf in Guatemala en de gemiddelde breedte van de bergpaadjes in feite ondoenbaar was.

    Na die bijna-ramp heb ik een tijdje overwogen om tijdens het tandenpoetsen veiligheidsschoenen aan te trekken, maar dat staat niet echt. Bovendien was er een meer eenvoudige oplossing: niet meer leunen op een lavabo en in elk hotel bij aankomst de verankering van de wastafels checken.

    Het is pas als je iets voor hebt dat een mens er aandacht aan schenkt. Het is een doodnormale zaak dat je je voeten kunt gebruiken om te gaan waar je wil of moet. Dat je – waar nodig – een voet tussen de deur kunt steken of – met wat geluk – een voetje voor hebt, vooraleer het je de voeten uithangt of je ergens je voeten aan veegt.

    De Britten vinden voeten zo belangrijk dat ze er nog altijd mee rekenen. Gezien ik – zoals de meeste Europeanen – van jongsaf aan ben ondergedompeld in het metriek stelsel (met dank aan stadgenoot Simon Stevin), blijf ik dat moeilijk vinden: een centimeter is een centimeter, terwijl je bij voeten toch lange en korte exemplaren hebt. In China was er zelfs een tijd dat voeten bewust ingebonden werden, omdat korte voeten een schoonheidsideaal waren. Hoe moet ik me dan inbeelden als iemand 6 voet hoog is? Maar goed, lang moeten we daar in Europa niet meer van wakker liggen, gezien de nakende Brexit. Bovendien: ze blijven nog steeds aan de verkeerde kant van de weg rijden…

    Het spel met dat voetenverhaal brengt me bij een andere favoriet, de ecologische voetafdruk. Het principe van Rees en Wackernagel (leuke naam als je het over een voetafdruk hebt) zet ons energie-, voedsel- en materiaalverbruik om in ruimtelijk beslag, uitgedrukt in hectares (toch weer het metriek stelsel dus). Met een aantal gelijkgezinden in het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling hebben we dit concept in de jaren ’90 in Vlaanderen verspreid. In het begin werd dit door beleidsmensen op hoongelach onthaald (wat hebben ze nu weer uitgevonden?), maar stilaan begon men dit toch ernstig te nemen. Akkoord, het concept is niet perfect (wat is dat wel?), maar het geeft de mogelijkheid om dit ruimtelijk in te beelden (beter dan het aantal feet, vind ik) en het meetbaar te maken, en dat is niet alleen pedagogisch belangrijk.

    In feite is het aantal hectaren dat beschikbaar is op onze planeet reeds opgebruikt. De limiet is al bereikt, de lavabo is al naar beneden aan het vallen. Omdat ze het onder meer in Haïti en Palestina met zoveel minder doen, ligt die nog net niet op onze tenen.

    Er zijn vele dingen die we kunnen doen om onze voetafdruk te verkleinen. De meest dringende is die broeikasgassen verminderen. Met hernieuwbare energie vermijden we jaarlijks miljoenen CO2 uitstoot. Hoe meer en hoe sneller we dus overschakelen naar hernieuwbare energie, hoe beter onze ecologische voetafdruk wordt.

    Dat is geen nieuws, dit is vastgelegd in internationale Klimaatakkoorden en doelstellingen, in allerhande regeerakkoorden… En toch worden beslissingen over het Belgisch energiebeleid steeds weer vooruit geschoven. Met dit tempo valt de lavabo recht op onze voeten en wordt het verder rijden in een rolstoel. Of mogen we alsnog op een vermeden ramp hopen?

    Bart Bode

    OESJABTIS

    vrijdag, 28 april 2017 11:05

    In een mensenleven riskeert men af en toe merkwaardige exemplaren onder de medemensen te ontmoeten. Dat hangt deels af van eigen keuzes, maar ook deels van het toeval (als dat toevallig zou bestaan). Zo heb ik zelf al eens kennis gemaakt met enkele Jezuïeten, die op mijn pad kwamen aangewaaid. De vraag is: wat ik heb geleerd van de Jezuïeten, of liever: wat heb ik er van onthouden?

    In tegenstelling tot wat u spontaan zou denken, is dat niet altijd stichtend geweest. Zo leerde ik van een onder hen dat, als je een slippertje maakt, je ervoor moet zorgen dat je er deugd van hebt. Ik heb deze wijze levensles nog niet in de praktijk gebracht, zodat ik u ook niet kan vertellen of het klopt.

    Diezelfde pater vertelde me ook dat je je principes hoog moet houden, zodanig dat je er af en toe onderdoor kan. Ik kan niet ontkennen dat ik dit wel al eens in de praktijk heb toegepast, maar meer wil ik daarover nu ook niet kwijt (het zou ons te ver leiden).

    Er is natuurlijk het gekende verhaal van het auto-ongeval tussen een zware wagen van Duitse makelij, bestuurd door een Jezuïet en een lichter wagentje van Italiaanse origine, bestuurd door een Dominicaan. De Jezuïet hielp zijn confrater uit het behoorlijk verhakkelde wrak en bood hem uit zijn ongeschonden bagagekoffer enkele stevige whisky’s aan, om van de schok te bekomen. Op de vraag van de Dominicaan of hij zelf niets dronk, antwoordde de Jezuïet: “niet vooraleer de politie een alcoholtest heeft afgenomen”. Een laatste voorbeeld: waarom beantwoorden Jezuïeten een vraag altijd met een wedervraag? Hun antwoord is: waarom niet?

    Ik moest aan dit alles denken, toen ik recent op een website las dat een farao uit de Derde Overgangsperiode (1077 – 943 v C) onlangs is opgegraven in de Vallei der Koningen, nabij Luxor in Egypte. Deze farao werd vergezeld door duizenden beeldjes, oesjabti’s genaamd. Deze beeldjes hebben de opdracht om elke vraag die aan de dode gesteld wordt, te beantwoorden. Oesjabti’s zijn dus (in tegenstelling tot Jezuïeten) antwoorders in plaats van zwaar gediplomeerde vragers.

    Naadloos toegepast op het energiedomein, ben ik er heilig van overtuigd dat de tijd is aangebroken om vragen te beantwoorden. 2020 is er bijna en in termen van projectrealisatie betekent dit beslissingen die vandaag moeten worden genomen. Ik wil hier geenszins pretenderen dat er geen vragen meer mogen gesteld worden over ons toekomstig energiebeleid. Ik stel vooral vast dat er nu vooral behoefte is aan antwoorden. Dat nu is zo dringend voor het tegengaan van de klimaatopwarming – die, zo blijkt uit de meest recente rapporten, nog veel sneller gaat dan verwacht – voor onze eigen energievoorziening en voor nog zoveel meer.

    We mogen van geluk spreken dat we in ons land ook duizenden oesjabti’s hebben: initiatieven van mensen die antwoorden realiseren op de huidige uitdagingen inzake energie. Er zijn de leden van ODE, bedrijven die elke dag projecten realiseren, ondanks tegenkanting (van mensen die bang zijn van verandering), ondanks alle rompslomp die dit met zich meebrengt. Er zijn steeds meer particulieren die zonnepanelen leggen en zo meehelpen aan het realiseren van de doelstellingen. Intelligente elektrische netten worden meer en meer praktijk; warmtenetten worden verder uitgebouwd en energiebesparende maatregelen worden meer regel dan uitzondering.

    Maar dat betekent niet dat we er al zijn. De tijd begint meer en meer te dringen en we moeten nog verder kijken dan vandaag. Op beleidsniveau zien we naast goeie wil ook nog heel wat aarzeling. Het is dus hoog tijd dat ook daar duidelijke antwoorden komen. Of mag ik dat niet vragen?

    Bart Bode

    SNOTGURG

    donderdag, 30 maart 2017 14:40

    Wie gewoon is om sprookjes voor te lezen, weet dat daar nogal wat schokkende zaken in gebeuren: moord door vergiftiging (Sneeuwwitje), opgegeten door een wolf (Roodkapje en in een ander verhaal zelfs zeven geitjes), kinderen die opgesloten worden (Hans en Grietje) of drie biggetjes waarvan er maar één weet hoe je duurzaam moet bouwen.

    Gelukkig loopt het naar het einde van het verhaal wel meestal goed af. Zoals de meeste kinderen smulde mijn dochter ook van al die lekkere fictie. Maar het mocht nog gruwelijker: in het boek “De Kabouter” van Rien Poortvliet had ze een vreselijk creatuur ontdekt, dat de meest wrede methodieken uitvond om kabouters het leven zuur te maken, zoals ze tegen een slijpsteen houden of ze door een vleesmolen draaien: de snotgurg.

    Dat schepsel stond bovendien paginagroot afgebeeld, en dat bestudeerde ze zo lang tot ze huiverend het boek dichtsloeg, even moest bekomen en het daarna niet kon laten om dit ritueel nog eens te herhalen. Ik ben er zeker van dat deze ervaring aan de basis ligt van haar latere keuze om criminologie te gaan studeren.

    Gezien ik de taak opgenomen had om – op de avonden dat ik rond dat uur thuis was – de kinderen in bed te stoppen, wou ik na een flinke dosis van steeds weer dezelfde verhalen wel eens een alternatieve versie vertellen. Zo hielp Sneeuwwitje de boze stiefmoeder het hoekje om, legden Hans en Grietje de heks op de barbecue en at grootmoeder samen met de zeven geitjes de wolf helemaal op. De kinderen vonden dat zo hilarisch dat ze op de duur alleen nog de verkeerde versie wilden horen, zodat dit opnieuw tot herhaling leidde. En toen zij en ik dat (jaren later) ook beu werden, konden ze ondertussen zelf lezen. Ik moet dus wachten op de volgende generatie om mijn talenten op dat vlak nog eens te kunnen botvieren.

    Ondertussen mag ik in de wondere wereld van de energie ook heel wat verhalen aanhoren, de ene versie al alternatiever dan de andere. In 2012 verscheen een studie over het behalen van 100% hernieuwbare energie in 2050, in de volksmond ook de “Backcasting studie” genoemd. Dit rapport werd opgesteld door VITO, ICEDD en het Federaal Planbureau – niet onmiddellijk instituten die fabeltjes produceren – en gaf aan dat het inderdaad mogelijk is om die 100% hernieuwbare energie te verwezenlijken. Volgens de enen een degelijke roadmap voor een toekomstgericht energiebeleid, volgens anderen een sprookje dat bovendien heel veel geld zou kosten. Dat laatste staat trouwens in het rapport zelf te lezen, naast de opmerking dat het uitstellen van beslissingen nog meer geld zou kosten. Omdat de argumentatie van dit rapport zo stevig bleek als het huis van het derde biggetje, besloten de anderen om de Backcasting studie dan maar diep onder de grond te stoppen.

    Sedertdien zijn er heel wat andere studies gepubliceerd, die een aantal elementen uit de Backcasting studie bevestigen en andere elementen nuanceren. Variaties op één thema, waarbij het tijdstip of het percentage of de scope vanuit een andere invalshoek worden behandeld, maar de essentie blijft dezelfde: we moeten in Europa zo snel mogelijk naar zoveel mogelijk hernieuwbare energie.

    Ondertussen worden er allerlei processen opgezet om tot een energievisie en een energiepact te komen. Dat zijn bijzonder lovenswaardige initiatieven en hopelijk komt men daar snel tot een stevig resultaat. Daarbij loont het absoluut de moeite om de diverse scenario’s over de transitie naar hernieuwbare energie grondig door te nemen. Ik kan iedereen geruststellen: het zijn geen sprookjes en er zit geen snotgurg tussen. U zult dus geen enkele van die werken huiverend dichtslaan, maar eerder geneigd zijn om hier en daar iets opnieuw te lezen, wetende dat op het einde toch alles goed komt.

    Bart Bode

    MARKT

    dinsdag, 28 februari 2017 09:47

    “De aannemer en de architect van het Belfort”, durven olijke Brugse koetsiers al eens antwoorden op de vraag van argeloze toeristen die wijzen op het standbeeld van Jan Breydel en Pieter De Coninck. Pakweg 20 jaar geleden stond ik op diezelfde Brugse markt aan twee helemaal niet argeloze toeristen te vertellen wat de twee afgebeelde heren volgens de meeste geschiedenisboekjes op hun kerfstok hadden. Mijn Kanaakse toehoorster viel me zowaar om de hals en klopte van vreugde het stof uit mijn rug, omdat haar volk op dat moment een ernstig dispuut had met de Franse bewindvoerders in Nieuw-Caledonië en zo blij was dat de Fransen al eens eerder verslagen waren door een onderschatte tegenstander.

    De band van mijn tweede toehoorder met de Vlaamse morzels grond kwam pas later die dag ter sprake, toen hij op de Tyne Cot begraafplaats het graf van zijn grootvader zocht, en mij vertelde dat ze in Nieuw-Zeeland nog steeds de geijkte uitdrukking gebruiken “we don’t want another Passchendaele”, wanneer een ruzie dreigt uit de hand te lopen. Het duurde een hele poos voordat we de grafsteen vonden, gezien de Britten zeer kwistig zijn omgegaan met het inzetten van hun koloniale onderdanen als kanonnenvlees bij totaal nutteloze veldslagen.

    Merkwaardig toch, dat twee bezoekers uit de Stille Oceaan ons terugbrachten naar twee van de luidste passages uit ons verleden.

    We zijn terug op de markt, die mij zo geholpen heeft om een aantal zaken visueel te kunnen voorstellen. De Brugse markt is namelijk precies 1 hectare groot, want 100 m op 100 m en dat hielp me op de lagere school reeds om me dat te kunnen inbeelden. Een landbouwer die 500 hectare land bewerkt, heeft dus 500 Brugse markten om zich op uit te leven.

    Hoewel de marktactiviteiten tegenwoordig niet meer op datzelfde plein doorgaan, heeft dat beeld mij ook geholpen om de economische debatten over markten te doorgronden. De meeste theoretische concepten zijn immers afgeleid van het fysieke gebeuren op zo’n marktplein.

    In den beginne was die markt echt vrij en kon elke handelaar een kraampje opstellen. Eenmaal de hectare volzet, moest een marktmeester (regulator) aangesteld worden om de afspraken te doen naleven, de disputen te regelen, het standgeld voor de stad te innen en te beslissen over de markttoegang voor nieuwkomers.

    Zo verliep en verloopt het – mutatis mutandis – ook op de energiemarkten. Nog niet zo lang geleden waren er maar enkele kraampjes, waaronder een hele grote, die de hele markt innamen. Er was een ingreep van de overheid nodig om plaats te maken voor nieuwe verkopers en Europese regels zorgden ervoor dat de markt verder vrijgemaakt werd en dat er een onderscheid kwam tussen de marktspelers, waarbij de productie, de verkoop en de verdeling (distributie) uit elkaar werden gehaald. Meer nog, de Europese marktmeester besliste dat hernieuwbare energie een voorkeurstoegang zou krijgen op de energiemarkten, gezien hernieuwbare energie als nieuwkomer moest opboksen tegen reeds lang gevestigde waarden, die met een historische bonus aan producten, vaste klanten en afgeschreven kosten weinig ruimte zouden weggeven.

    Ondertussen is de energietransitie in volle gang en merken we dat de beeldvorming van het historisch marktmodel minder en minder opgaat. Ook al blijft het gezellig kuieren op een markt, toch zijn er vele andere plaatsen waar producten worden verhandeld, denk maar aan de vele internetshops. Zo is het ook met energie en moeten de marktmodellen aangepast worden aan een meer complexe en flexibele, deels ook virtuele realiteit, met opslag, vraagsturing, intelligente netten, enz…

    Wat blijft zijn de absolute basisvoorwaarden, die eveneens bij die allereerste marktspelers leefden: ook bij nieuwe marktmodellen moeten de regels voor iedereen duidelijk (transparant) en eerlijk zijn. Zo niet krijgen we totaal nutteloze veldslagen, en daar wordt niemand beter van.

    Bart Bode

    Pagina 1 van 8